Fluiten en pistoletten

In een tweewekelijkse serie over boeken die bijna onopgemerkt bleven, deze week een verzameling ‘gewoon’ naakt.

Als er bloot in zijn blikveld verschijnt, móet de mens kijken. Het is onlangs nog weer eens wetenschappelijk bewezen. Of het nu levend bloot is of een plaatje, mannelijk of vrouwelijk, meer of minder aantrekkelijk, en of het nu wel of niet mag van meneer pastoor: in een onwillekeurige reactie schiet het menselijk oog naar het bloot. Adverteerders wisten dit trouwens al langer. Streakers ook.

De Belgische fotografe Elisabeth Broekaert maakte een serie portretten van gewone mensen in hun gewone alledaagse omgeving. In hun keuken, bij de klerenkast, op de bank, in de hal, in de achtertuin, op het balkon met uitzicht over zee. Geen opsmuk, geen opmaak, geen bijzondere opstelling. Ze kijken ons allemaal wat afwachtend en onwennig aan. Ik zou niet terugkijken als ze niet één opvallende eigenschap gemeen hadden: ze hebben allemaal al hun kleren uitgetrokken. Daar staan ze dan, met hun blote voeten op de koude plavuizen, de kale planken, het slaapkamertapijt of het gras. Uit eigen onwennigheid ga je eerst maar eens op de gekste dingen letten. Hebben ze het niet koud? Een enkeling is op teenslippers. Een ander op waterschoentjes. Twee vrouwen mochten hun hoge hakken aanhouden, waardoor ze in deze huiselijke omgeving al heel gauw iets van een bijklussende hoer krijgen: alsof mevrouw ons wel even voor zal gaan naar het door haar man tot erotische massagesalon omgetimmerde fietsenhok.

Ik kon mijn ogen er niet vanaf houden, van al deze doodgewone blootlopers. Maar wat dan? Eerst maar eens lekker tabelleren. Hoeveel van de geportretteerden woonden in een interieur met schrootjes? Hoeveel procent poseerde met een brandend sigaretje tussen de blote vingers? Hoe kon het aantal getatoeëerden worden uitgesplitst over de subcategorieën man, vrouw, onder dertig, zestig plus, brildragend, motorbezitter? Hoeveel gaan er met de hond op de foto?

Langzaam durfde ik af en toe ook eens naar de lichamen zelf te kijken. Wat een variëteit aan borsten, heupen, buiken, vetrollen en x-benen dragen de mensen met zich mee. Om de zaak nog enigszins te overzien zette ik mij weer schielijk aan een tabellarische inventarisatie, nu maar eens het mannelijk deel betreffende. Er zijn, kan ik voorlopig melden, tubevormige types, kruikjes en fluitjes, kraantjes en buisjes, pistoletjes en ciabatta’s, winterpenen en courgettes. De indeling behoeft nog verfijning.

Dan eindelijk maar eens voorzichtig de bloteriken in de ogen gekeken. Ik betrapte me erop dat ik daarna steeds naar achteren wilde bladeren, in de hoop daar meer persoonsgegevens aan te treffen. Hoe heten ze, wat doen ze, waar houden ze van en waar wonen ze? Bloot is mooi, maar het gaat pas leven als er een verhaal bij komt. Natuurlijk werd ik ook verliefd op een van de zestig geportretteerden. Op die ene, met die mooie mysterieuze ogen. Ze ziet er wat eenzaam en verslagen uit. Ze heeft vast behoefte aan een leuk gesprek. Van mij mag ze dan gewoon haar kleren weer aandoen. En dan gaan we samen praten. Misschien wel over poëzie! Er schijnen ook allerlei lichamelijke gedichten in dit boek te staan, wel honderd stuks – tussen de 60 alle aandacht opeisende naaktportretten in.

Vlees is het mooiste. Gedichten gekozen door Bart Moeyaert. Foto’s van Elisabeth Broekaert. Davidsfonds Literair / Querido. 224 blz. € 24,95.