Er is ontzettend veel weggegooid

Het begin van de twintigste eeuw was voor de vormgeving een kraamkamer van wat komen ging. Een belangrijke collectie uit die tijd wordt dinsdag geveild.

Voel maar, zegt de veilingexpert, voel de huid van de aardewerken vaas. En inderdaad, de vingertoppen voelen de ribbels langs de magnoliabladeren en de vlinders. „Die ribbels komen door de toepassing van een techniek die zorgde dat bij het bakken de kleuren niet door elkaar liepen”, vertelt Max Hemelraad.

In de tentoonstellingsruimte van veilinghuis Sotheby’s in Amsterdam staat Hemelraad bij een paar vazen uit 1914 van de ontwerper Theodoor Nieuwenhuis. Vol vuur legt hij de werking van de ‘cearda seca’ uit, de Spaanse techniek van de ‘droge draad’ uit de zestiende eeuw: „Op de klei werd een netje van was aangebracht, exact in de vorm van de decoraties. Bij het bakken smolt de was waardoor de kleurvlakken gescheiden bleven.”

De vazen behoren tot de Nederlandse toegepaste kunst, die het Amerikaanse paar Justin Schiller en Dennis David in een kwart eeuw bijeenbracht. De collectie vazen, affiches, tapijten, boekomslagen, kalenders, klokken en meubels van een eeuw oud wordt volgende week geveild. De kijkruimte biedt veel art nouveau, en iets minder Amsterdamse school, en is daarmee een soort kraamkamer van de Nederlandse vormgeving, die in de twintigste eeuw zo belangrijk zou worden.

De vaas van Nieuwenhuis is een van de vele kunstvoorwerpen van rond 1900 waarvoor de makers teruggrepen op eeuwenoude ambachtstechnieken. „Art nouveau was een reactie op de industriële revolutie en de lopende band”, vertelt Hemelraad. Hij wijst op een vaas van Chris van der Hoef, met een medaillon van gestileerde witte en blauwe bladeren: „Dat is niet geschilderd, dat is ingelegd met gekleurde klei – ook een middeleeuwse techniek.”

Hoe oud de technieken ook waren, de toepassing was heel eigentijds. De motieven verraden onder meer invloeden uit Japan, destijds zeer in de mode, en uit Indonesië, toen een Nederlandse kolonie. De vormen en kleuren zijn bovendien heel uitbundig en verraden een persoonlijke signatuur van de maker. Hemelraad wijst op een pronkstuk van de veiling, een drietal fel blauw en geel gekleurde vazen van Theodoor Colenbrander. „In het toen nogal tuttige Nederlandse interieur moet dit ongelooflijk modern zijn geweest.”

Toen het modernisme echt doorbrak werden deze kunstvoorwerpen echter ouderwets bevonden. „Er is zo ontzettend veel weggegooid”, verzucht Hemelraad. Pas in de loop van de jaren zestig en zeventig kwam er een herwaardering. David en Schiller begonnen in 1982 met het verzamelen van de kunstvoorwerpen.

Een complete collectie is het niet, maar op onderdelen streefden de verzamelaars naar volledigheid. Zo kochten David en Schiller niet alleen het vermaarde Delftsche Slaolie-affiche van Jan Toorop, maar ook diens ontwerp ervoor met veel gestileerd vrouwenhaar. „Dit ontwerp heeft echt museale waarde.” Jan Toorop is sowieso sterk aanwezig, met symbolistische etsen en gouaches en een serie schetsen voor het tegelkunstwerk Het verleden, het heden en de toekomst in de Beurs van Berlage.

Het affiche dat Gerrit Rietveld ooit maakte voor de geheelonthoudersbond is met zijn vroege kenmerken van De Stijl een vreemde eend in de bijt. Het is wel de enig bekende afdruk van het enige affiche dat de architect Rietveld ooit maakte. Hemelraad: „Het zou jammer zijn als dit niet bij een Nederlands museum zou komen.”

Dutch Modernism, The Schiller-David Collection. Veiling op 5 februari bij Sotheby’s Amsterdam. Kijkdagen 1 febr. t/m 3 febr. Info via www.sothebys.com