En de prijs gaat naar: een vrouw, dat in ieder geval

Speciaal voor schrijfsters die geen echte literatuurprijzen in de wacht kunnen slepen, is er de Anna Bijns Prijs.

Tja, als ze nou diepgaandere boeken zouden schrijven.

De Anna Bijns Prijs bekroont elke twee jaar een literair werk dat door een vrouw is geschreven, en wil tegenwicht bieden aan de P.C. Hooftprijs en de literaire jackpots (Ako, Libris), die negen op de tien keer op boeken van mannen vallen.

Je zou zeggen dat door deze prijs openlijk wordt erkend dat de schrijfster het hulpbehoevende zwakke zusje van Letterenland is, zoals vrouwen ook hun eigen sportcompetities hebben.

Toch is dat niet de filosofie van de bedenkers. Die plaatsen de zwakte niet bij de speelsters, maar bij de scheidsrechters. Mannelijke voorkeuren zouden het literaire landschap domineren. De vermeende schuldigen: juryleden en recensenten.

Bij de laatste slag om de Libris haalde slechts één vrouw de nominaties, terwijl de man-vrouwverhouding bij de inzendingen nog keurig fifty-fifty was. Juryvoorzitter Cox Habbema (een vrouw!) verdedigde: de vrouwenboeken waren domweg belabberd. „Kleine persoonlijke wissewasjes, thrillers, relatieproblemen, al of niet in moord eindigend, of in een cursus.”

Toch klopt dit niet. Zelfs over cursussen zijn uitstekende boeken te schrijven; denk aan de tragische tangocursist uit Spitzen van Thomas Rosenboom. Wat zijn dan wel doorslaggevende criteria? Dat leert een rondgang langs de jubelkreten in de juryrapporten van de grote prijzen: Een „doordenkboek”, „middenin de maatschappelijke realiteit”, „een twintigste-eeuwse Madame Bovary”, „in een knap uitgekiende structuur”, „vol synchroniciteit en verwijzingen naar onder meer klassieke tragedies, de Griekse god Apollo, The Beatles, 11 september en de moord op Theo van Gogh”, „een post 9/11-epos waarvoor het begrip ‘straatrumoer’ tekortschiet”. Persoonlijke wissewasjes zijn niet het probleem. Het probleem zijn de wissewasjes die het anekdotische niet overstijgen, die ons geen spiegel of inzicht in onze tijd bieden, die niet naar de literaire traditie verwijzen, die stilistisch zwak zijn of ongeloofwaardig. De roman moet meer zijn dan alleen ‘het verhaal’.

Geen onredelijk standpunt, maar is het typisch mannelijk? Natuurlijk niet. Ook literaire keurmeesteressen als Elsbeth Etty, Aleid Truijens en Fleur Speet loven boeken die zo’n extra dimensie bevatten en kraken eendimensionale anekdotiek. En die laatste vinden we nu eenmaal meer bij vrouwelijke schrijvers, van de theekransjes-per-brief van Betje Wolff en Aagje Deken tot de stoute avonturen van Heleen van Royen. Al die dameslectuur verschijnt steeds meer in de vermomming van literatuur. Dat komt onder meer doordat uitgevers weten dat vrouwelijke auteurs veel beter verkopen. (Connie Palmen, Lulu Wang). Ook het lezerspubliek is overwegend vrouw. Er floreert een bont circuit van dameslectuur en -leesclubs, dat verhoudingsgewijs veel groter is dan het officieel-literaire (boekenbijlagen, prijzen). Dit verschijnsel kent vooralsnog geen mannelijk equivalent, of het moeten it-, marketing- en beurs- en detectiveboeken zijn, maar die doen wijselijk genoeg geen gooi naar literaire erkenning.

De gesignaleerde asymmetrie is kortom optisch bedrog, veroorzaakt door het grote reservoir vermomde dameslectuur. Voor wie dat steeds weer vergeet, zoals de organisatie van de Anna Bijns Prijs, is er een gemakkelijk ezelsbruggetje: Baantjer wordt nooit ingezonden naar de AKO-jury, Yvonne Kroonenberg altijd.

Ironisch genoeg nomineerde de Anna Bijns-jury boeken die juist aan de vermeend mannelijke criteria voldoen. Zo geeft Marja Brouwers’ Casino (2004) ‘een indringend beeld van maatschappelijke ontwikkelingen’. Het boek is al genomineerd voor de Libris-prijs. Kristien Hemmerechts heeft ook niets te klagen over gebrek aan literaire erkenning (Vlaamse Staatsprijs, Frans Kellendonkprijs, AKO-nominatie), en winnares Wanda Reisel had al twee Libris- en één AKO-nominatie voor de nu bekroonde roman Witte liefde. De Anna Bijns Prijs biedt geen tegenwicht, maar een vrouwendivisie binnen dezelfde race.

Niemand zal de schrijfsters nog hun Room of one’s own ontzeggen, maar een Prize of one’s own maakt ze onnodig tot zwakke zusters van Letterenland.

Christiaan Weijts is auteur van het boek ‘Art 285b.’ en columnist van nrc.next.