Eigentijdse muziek is geen bijzaak

Het Koninklijk Concertgebouworkest, zei vorige week chef-dirigent Mariss Jansons, krijgt te weinig subsidie om zijn internationale toppositie te handhaven. Tegelijkertijd kondigde het orkest aan de ‘tijdrovende’ projecten met moderne muziek terug te willen brengen van acht naar vijf weken per jaar, en het aantal gratis begeleidingen bij de Nederlandse Opera te willen halveren. Zelfs als de gevraagde subsidieverhoging van drie miljoen zou worden toegekend.

Het is de vraag of het KCO moet willen meedoen aan een bij voorbaat verloren internationale salarisstrijd. Want topmusici blijven hoe dan ook schaars, ze kunnen alleen steeds meer geld vragen. Maar ook kan men zich afvragen of een orkest dat nog geen tiende van zijn tijd aan eigentijds repertoire besteedt, wel van deze tijd is.

Toen Jansons in 2004 werd aangesteld, kon men dat zien aankomen. Zijn voorganger Riccardo Chailly stond op de bres voor modern repertoire. Hij dirigeerde bij het KCO onder meer een Varèse-project, wereldpremières van Keuris tot Rihm, en veel werk van Luciano Berio (1925-2003). Moderne concerten liepen misschien minder goed, maar Chailly wist er met zijn enthousiasme toch de loop in te krijgen.

Jansons stond niet bekend om zijn vernieuwende repertoirekeuze. Sinds zijn aanstelling dirigeerde hij wel een enkel ‘modern’ werk – Henze’s Sebastian im Traum bijvoorbeeld, ook op cd uitgebracht. Maar meestal moeten daar specialisten voor worden ingevlogen: Ingo Metzmacher, George Benjamin of Ed Spanjaard.

Een orkest met de statuur van het KCO zou de eigentijdse muziek niet als bijzaak moeten beschouwen, afgehandeld in tijd die ‘geroofd’ wordt van het echte werk. Als het een vitaal onderdeel van de hedendaagse cultuur wil zijn, en geen stilstaande, gewetenloze Mahlermachine, moet het juist ook het werk van de componisten van onze tijd ten gehore blijven brengen. Uiteraard zonder de traditie waaruit zij voortkomen te vergeten.

Als internationaal ‘boegbeeld’, ‘tweede orkest van Europa’ en het best verdienende orkest van Nederland moet het KCO zich niet terugtrekken op een veilig, elitair en lucratief eiland met erkende meesterwerken uit een afgerond en steeds verder verwijderd verleden. Juist door dat niet te doen, onderscheidde het KCO zich tot voor kort van de meeste buitenlandse toporkesten. En dat moet in ere hersteld.

Datzelfde geldt voor de operabegeleidingen van het KCO. Juist bij opera, zeker bij de Nederlandse Opera, wordt oud repertoire voortdurend hergedefinieerd, met eigentijdse ensceneringen. Een museale functie – het uitvoeren van de klassieke canon – gaat daar altijd samen met het scheppen van nieuwe, op onze tijd toegesneden betekenissen.

Vanavond treedt het orkest onder leiding van Jansons op in Boston. Het concert met muziek van Debussy en Berlioz – beiden lang geleden ook vernieuwers wier werk wat meer voorbereiding vergde – wordt ongetwijfeld mooi en bijzonder. Buitenlandse tournees, met zoete broodjes voor een conservatieve elite die overal ter wereld hetzelfde wil horen, brengen veel extra geld in het laatje. Als het orkest behalve een financieel ook een artistiek geweten heeft, zorgt het dat het ten goede blijft komen aan het voortleven van de muziekkunst, en niet aan het voortleven van een select clubje topmusici.