Earl verbaast met een beatbox

Steve Earle Foto Andreas Terlaak Steve Earle krijgt solo en acoustisch een uitverkocht Paradiso bijna stil. Foto: Andreas Terlaak Terlaak, Andreas

Pop Steve Earle. Gehoord: 31/1 Paradiso, Amsterdam.

De Amerikaanse singer/songwriter Steve Earle heeft het wonderbaarlijke vermogen om zichzelf telkens opnieuw uit te vinden. Met steeds minder haar en altijd in hetzelfde geblokte overhemd, dat wel. Van countryrocker werd hij folkzanger; hij stond aan het hoofd van een traditionele bluegrassband, maakte deel uit van harde rockgroepen en werd bovendien protestzanger die de oorlog in Irak bekritiseerde. Zijn nieuwe album Washington Square Serenade documenteert de inspiratie die zijn nieuwe woonplaats New York hem bracht, waar hij naartoe is getrokken „omdat Bob Dylan er mijn beroep heeft uitgevonden”. In feite bewandelt hij daarmee de omgekeerde route van Dylan, die de hectiek van New York juist achter zich liet om, in de middenfase van zijn carrière, de rust en het muzikaal professionalisme van Nashville op te zoeken.

Nu hij zingt over zijn city of immigrants vindt Earle het kennelijk opportuun om de urbane invloeden in zijn muziek door te laten klinken. In dat licht nam hij een van de merkwaardigste beslissingen uit zijn dertigjarige loopbaan, namelijk om, behalve zijn nieuwe muze en duetpartner Allison Moorer, ook een deejay mee op tournee te nemen. Geen funky hiphopjongen met een omgekeerd baseballpetje, maar een oudere man van Earle’s postuur die uitsluitend onverzettelijke, bonkende ritmes uit een beatbox tovert, gecombineerd met wat onbeholpen scratch-effecten.

De hoogtepunten dienden zich al vroeg aan in een vol Paradiso, waar Earle zijn klassiekers The devil’s right hand en My old friend the blues nog puur en onversneden ten gehore bracht, zij het met een snerpende gitaarsound en tamelijk ongeïnteresseerde zang. Toen Mr. Deejay zich eenmaal aandiende, was het uit met de subtiliteit en werd de zaal suf geslagen met misplaatste ingeblikte ritmes bij muziek die toch al niet erg geanimeerd gebracht werd, ook toen Earle er een dobro of een banjo bij haalde. Op de automatische piloot jaste hij er een lange reeks oude en nieuwe songs doorheen, in een show die beslist de minst geïnspireerde was die hij ooit liet horen.

Weg was de gedrevenheid van zijn politieke motivatie en zelfs een praatje tussendoor kon er nauwelijks vanaf. Een paar duetten met Allison Moorer konden de zaak niet redden. Haar zuivere, glasharde stem detoneerde met de neuzeltoon die Earle een concert lang volhield. Was het de mislukte combi met de deejay of is Earle zo verstrikt in zijn professionalisme dat hij er zelf geen enthousiasme meer voor kan opbrengen? De muziek sloeg dood en het publiek klapte beleefd, maar de stemming kwam niet van de grond.