Doen wat de droom van ons vraagt

Met een overdonderende hoeveelheid materiaal schetst Joseph O’Connor de

wederwaardigheden van de Ieren in Amerika

Joseph O’Connor Foto Joanne O'Brien Joseph O'Connor FOTO: Joanne O'Brien O'Brien, Joanne

Joseph O’Connor: Redemption Falls. Uit het Engels vertaald door Harm Damsma en Niek Miedema. Nieuw Amsterdam, 511 blz. € 22,50

‘De ware oorlog komt nimmer in de boeken’. Met dit citaat van Walt Whitman sluit de Ierse auteur Joseph O’Connor het tweede deel van zijn Iers-Amerikaanse trilogie af. Een merkwaardige slotsom na ruim vijfhonderd pagina’s Amerikaanse burgeroorlog vanuit Iers perspectief.

Misschien is het bescheidenheid, misschien wilde O’Connor juist Whitmans ongelijk bewijzen. Hoe tegenstrijdig ook, het resultaat is een overvol boek waarin balladen, brieven, pamfletten, Wanted- posters, verslagen en voetnoten één enkel leven in de tweede helft van de negentiende eeuw vastleggen. Redemption Falls is het tweede deel van een trilogie, fictie als alternatief voor geschiedenis.

In het eerste deel, Stella Maris, werd je al overdonderd door de verschillende perspectieven, logboeknotities, artikelen, brieven en liedjes waarmee werd verteld hoe Ieren door hongersnood gedreven hun land verlieten. Ook in Redemption Falls worden meerdere levensverhalen vanuit verschillende oogpunten verteld, en steeds in bijbehorende stijl: dan weer fonetisch weergegeven, dan weer in verslagvorm, met liefdeslyriek of in semi-chic – de vertalers moeten er een flinke klus aan hebben gehad.

Op de wijze van Dickens wordt in elk hoofdstuk kort aangekondigd wat er gaat gebeuren: ‘Metaalkundige aangelegenheden – Eliza Mooneys lot in handen van de bende – Een wreed spel’. Volgt de verkrachting door enkele rebellen van Eliza Mooney, die een slavenketting van vijftien kilo om haar nek heeft.

In de oorlog is deze Eliza haar broertje kwijtgeraakt en ze besluit hem te gaan zoeken. Ze loopt door het slagveld van de Amerikaanse geschiedenis, waarbij onsmakelijke details de lezer niet bespaard blijven. Ondertussen krijgen we ook het verhaal van de Ierse gouverneur O’Keefe te lezen: een man die zijn doodstraf in Ierland heeft weten te ontlopen, gevlucht is uit een Tasmaans gevangenkamp en in New York de populairste vrijgezel van zijn tijd is. Nog meer verwikkelingen volgen, waaronder die van O’Keefe’s vrouw Lucia, journalisten, Vigilanten en Eliza’s broertje Jeddo Mooney. Deze laatste heeft dermate veel oorlogswreedheden gezien dat hij met stomheid geslagen lijkt. Hij kan alleen nog in afzondering zingen – een houding waarmee je je niet geliefd maakt wanneer ergens een zondebok nodig is. Via enkele omwegen belandt hij bij de gouverneur en zijn vrouw en hij ontwikkelt zich tot iets dat het midden houdt tussen huisdier en adoptiekind. In deze Jeddo komen de geschiedenissen uiteindelijk samen. Jeddo wordt ontvoerd en later ten onrechte beschuldigd van de moord. Maar nadat hij uiteindelijk liefde en barmhartigheid heeft ondervonden in zijn leven, blijkt hij een uiterst slim kind te zijn, met een talen- en muziekknobbel. Een adoptiekind dat aan alle eisen wil voldoen om maar geaccepteerd te worden.

Het gevecht om acceptatie: dat is waarschijnlijk waar het in deze roman om draait. En dan gaat het niet zozeer om het verhaal van Jeddo, maar om de Ierse zoektocht naar acceptatie in het land van de nieuwe mogelijkheden, en de pogingen de eigen identiteit te behouden.

De opvliegende O’Keefe bijvoorbeeld laat zich naar een uithoek in Redemption Falls sturen, in het zuiden van Amerika. Er is daar helemaal niets, op een paar Indianen na die zo snel mogelijk nog wat verder zuidwaarts gedreven worden. Er is voor de intellectueel onderlegde O’Keefe en zijn vrouw niets te doen. Maar ze klagen niet, O’Keefe wacht op betere tijden, herinnert zich de twee ontmoetingen met Lincoln en doet ondertussen al whiskydrinkend zijn werk.

Redemption Falls is even zorgvuldig als overdadig, maar het idee van een geadopteerd kind dat extra zijn best gaat doen om te compenseren, gaat helaas ook op voor dit boek. Net als dat kind, net als de Ieren in Amerika wil deze roman alsmaar méér zijn, larger than life in ieder geval. O’Connor wil ons nadrukkelijk laten zien dat elke geschiedenis meerdere kanten heeft.

Maar het effect dat Stella Maris had, is hier afwezig. De overdaad werkt eerder afstompend dan overtuigend. Uit alles blijkt dat O’Connor zich goed heeft ingelezen, dat hij zijn klassiekers kent en dat hij zijn roman bewust een 19de-eeuwse, Dickensiaanse vorm heeft willen geven. En dat alles gelardeerd met postmoderne ironietjes.

Vakmanschap kan je O’Connor daarmee niet ontzeggen. En misschien zou vakmanschap genoeg zijn geweest, wanneer het O’Connor alleen om die alternatieve geschiedenis was gegaan. Maar voor een overdonderende roman is het uiteindelijk, ironisch genoeg, te weinig.