De Zeeuwse boomgrens

Over de Manteling van Walcheren. Aflevering in een serie over bekende en onbekende bomen.

Van Dale omschrijft ‘manteling’ als een uit houtgewas bestaande beschutting tegen de wind. In het klein zie je dat aan een binnenweg tussen Westkapelle en Domburg – boerderijen met een mantel van door de wind geschoren bomen. En in het groot in het duingebied tussen Domburg en Oostkapelle – de Manteling van Walcheren.

Ik wil naar de Zeeuwse boomgrens en heb in Anton van Haperen mijn gids gevonden. Hij is 58, landschapsecoloog, werkzaam bij Staatsbosbeheer. Hij beschouwt de dingen in een historisch perspectief.

Dus dat gaat over een landschap dat al in Karolingische tijden door mensenhanden werd gevormd. Over buitenplaatsen die werden gesticht uit revenuen van de Oostindische Compagnie. Over de opwaardering van de landbouw, en in het kielzog daarvan de bosbouw, in de 18de eeuw. En over het konijn, voorheen een gewild pelsdier, dat dan opeens schadelijk heet te zijn. Maar over de status van het konijn hoeven we ons verder geen zorgen te maken, konijnen zijn er niet meer.

Intussen staan we bij kasteel Westhove. We zetten onze kraag op tegen de schrale wind, oost vandaag, en maken ons op om het bos in te gaan. Tot hier, wijst Van Haperen, is in ’44 het water gekomen.

De Engelsen hadden de zeedijken gebombardeerd. Walcheren kwam nagenoeg blank te staan en verloor vrijwel al zijn bomen. Dit bos bleef net gespaard. Wat overigens niet betekent dat het ongeschonden uit de oorlog is gekomen. Er werd indertijd veel gekapt (door Zeeuwen) en geroofd (door Duitsers). Zo is het oorspronkelijke elzenhakhout grotendeels verdrongen door opslag van berk, beuk en esdoorn. Maar daarin rijzen nog steeds enkele van de oorspronkelijke eiken op. Ze staan in viertallen (op de hoeken van een vierkant) of vijftallen (als de vijf ogen van een dobbelsteen). Van Haperen spreekt hierbij van een ‘typisch 18de eeuws plantverband’.

Ze zijn, zegt hij, van 1780 ongeveer. Er zijn elders in het land wel grotere eiken van 1780 ongeveer, maar bodem en andere omstandigheden in aanmerking genomen, hebben ze knap gepresteerd. Ze mogen er zijn, deze eiken.

Lopen we nu, nu we ons dit beeld hebben ingeprent, in rechte lijn naar het westen, een expeditie van een minuut of tien, dan zie je de kroonlaag naar beneden zeilen. Stoere eiken krimpen ineen tot magere gedrochten en verder en verder, tot er niets van over is dan wat losse plukken struweel, zo plat als alpinopetten. En dat, eikjes waarvoor je op je hurken moet gaan zitten, is werkelijk de grens. Hier scheiden ons nog maar een paar duinen van een diepte die geheel is gevuld met zee.

„De kust”, zegt Van Haperen, „is hier in recente tijden een eind teruggedrongen, en het bos dus ook. Wat we hier hebben zijn de restanten van een bredere boszone, waarschijnlijk rond 1880 geplant om het zand vast te leggen en de wind te breken, ter bescherming van het binnenduin.”

„Maar waarom eik?” vraag ik.

„Misschien omdat het mode was om in eik te denken”, antwoordt hij. „Misschien omdat op deze kalkarme, zure grond eik het enige was dat aansloeg. Het staat wel vast dat hier eerder met allerlei bomen is geëxperimenteerd.”

Hoe dan ook – kruinen die min of meer op de grond liggen. Aan de landzijde loopt het struweel een weinig op en als je daar naar binnen kijkt, zie je stammetjes en takken die allemaal naar het oosten buigen. Alles, alles kromt hier zijn rug voor de gesel van de zeewind. Tegelijkertijd echter zie je dat dit gemartelde geboomte zich zou willen oprichten. De jonge loten aan de buitenkant staan wel degelijk recht omhoog.

„Komen daar blaadjes aan”, zegt Van Haperen, „dan zullen ze in een ommezien verdorren. De wind, het zout, kansloos.”

Zo blijft deze eikjes geen andere mogelijkheid dan het bestaan te rekken en maar te zien wat ervan komt. Ze schijnen in het voorjaar wel heel mooi in bloei te komen. Dat zie je wel vaker bij bomen in benarde situaties: ze gooien alles op de reproductie. Maar eikels? Zeer met mate. Ergens tussen bloei en vrucht gaat de energie toch alweer verloren.

Koos van Zomeren