De vinger Gods zit in een luis

Toen oude zekerheden wankelden, deed anatoom Jan Swammerdam baanbrekend onderzoek. Alleen de eigen waarneming en het experiment telden. Tot de twijfel toesloeg.

Luuc Kooijmans: Gevaarlijke kennis. Inzicht en angst in de dagen van Jan Swammerdam. Bert Bakker, 377 blz. € 37,50

In de herfst van 1675 nam de anatoom en insectenonderzoeker Jan Swammerdam zijn intrek in de commune van een fanatieke en dominante dweepster die pretendeerde in rechtstreeks contact te staan met God. Van een bekwaam en onbevangen experimentator die gewapend met ontleedmes en microscoop aan de lopende band spectaculaire waarnemingen deed, veranderde Swammerdam in een hypochonder die als de dood was dat zijn gedrevenheid als onderzoeker zijn zielenheil in de weg zou staan. Om Gods liefde te winnen, zo hield hij zich voor, moest hij een radicale stap zetten: breken met zijn bestaan als anatoom en zich in een Duits gehucht voorbereiden op het einde ter tijden.

Hoe kon het gebeuren dat een talent als Jan Swammerdam (1637-1680), wiens werkkracht en analytisch vernuft Europese collega’s versteld deed staan, zo’n afweging maakte? Stond hij alleen? Wat waren in de tweede helft van de 17de eeuw überhaupt de uitdagingen en risico’s van het zelfstandig streven naar nieuwe kennis? Hoe lagen de verhoudingen tussen geloof en wetenschap? Deze vragen stelt de historicus Luuc Kooijmans aan de orde in zijn nieuwe boek Gevaarlijke kennis. Net als bij zijn biografie van Frederik Ruysch uit 2004 (besproken in Boeken, 11.02.05), was het Amsterdams Medisch Centrum de opdrachtgever en ook ditmaal is het resultaat qua inhoud én uitvoering een schitterend boek. In een tijd waarin traditionele waarheden onhoudbaar bleken, zo laat Kooijmans zien, groeide in de Republiek ook bij natuuronderzoekers de behoefte aan houvast – soms met vergaande consequenties.

In korte paragrafen voert Kooijmans afwisselend Jan Swammerdam ten tonele en de personen met wie hij te maken kreeg (onder wie de inventieve ijdeltuit Reinier de Graaf, de veelgeplaagde Italiaanse anatoom Marcello Malpighi en het buitenbeentje Antoni van Leeuwenhoek) en laat hij in een bondige stijl de gebeurtenissen voor zich spreken. Als lezer zit je er bovenop en krijg je van dichtbij een prachtig inkijkje in de spannende wereld van de anatomie van de tweede helft van de 17de eeuw, inclusief ambities en illusies, vetes, speculaties, conflicten rond prioriteiten, mecenaat en de reacties van de Kerk. Deze brede aanpak maakt het mogelijk de prestaties van Swammerdam op waarde te schatten en geeft zijn worstelingen perspectief.

Vooral de Deense anatoom en geoloog Niels Stensen fungeert als contrapunt. Swammerdam en Stensen waren uit hetzelfde onderzoekershout gesneden: alleen eigen waarnemingen telden. Beiden raakten in een geloofscrisis. Ook Stensen, telg uit een luthers predikantengezin, kon niet leven met de gedachte dat zijn anatomische onderzoekingen God uit zijn leven dreigden weg te drukken. Zijn oplossing: bekering tot het rooms-katholicisme. Stensen werd bisschop, leefde zeer sober en hoewel het een enkele keer nog tot anatomisch onderzoek kwam, stak hij zijn meeste energie in het maken van bekeerlingen – bij Swammerdam, met wie hij in zijn jonge jaren had samengewerkt, ving hij bot.

Geheimen

Swammerdam, zoon van een apotheker, leefde in een tijd waarin oude zekerheden niet langer houdbaar bleken. Aristoteles, Hippocrates en Galenus, zo bleek uit experimenteel onderzoek, hadden er in hun beweringen vaak naast gezeten. In de lever werd geen bloed geproduceerd, het hart was niet het warmte producerende centrale orgaan van ons lichaam, een pop was geen ei waaruit een dier geboren werd. Ook de christelijke geloofsleer werd ondermijnd. Door alle ontdekkingsreizen naar de uithoeken van de wereld stapelden de problemen voor de bijbel zich op. Hadden die exotische dieren in de Ark gezeten? En hoe kwamen afstammelingen van Sem, Cham en Jafeth in Amerika? Er bestond dringend behoefte aan betrouwbare criteria om de waarheid te kunnen achterhalen.

Daar kwam bij dat het beroep ‘onderzoeker’ in de Gouden Eeuw als zodanig niet bestond. Swammerdam stond onder voortdurende druk van zijn vader – die hem onderhield – om dat buitenissige onderzoek eraan te geven en een fatsoenlijke artsenpraktijk te beginnen. Een onderzoeker moest het lef hebben tegen gevestigde reputaties in te gaan en niet bang zijn voor spot en hoon en beschuldigingen van hoogmoed afkomstig uit het traditionele kamp. Met nieuwsgierigheid en het verlangen naar roem alleen redde je het niet, constateert Kooijmans. ‘De geheimen konden weerbarstig blijken, de opponenten vilein en de verdiensten gering.’ Zie dan als onderzoeker de moed er maar eens in te houden, zeker als ook nog blijkt dat je ontdekkingen op gespannen voet staan met het traditionele beeld van de verhouding tussen mens en God.

Aanvankelijk voelden Swammerdam en Stensen zich sterk aangetrokken tot het systeem van Descartes. Volgens die filosofie gaf alleen zuiver, logisch wiskundig denken zekerheid. Als je elke gevestigde opinie in twijfel trok en alleen accepteerde wat evident onbetwijfelbaar was bracht deductie je gegarandeerd tot de waarheid. Maar ook Descartes was feilbaar. Christiaan Huygens had laten zien dat zijn botsingswetten niet deugden. En er was nog een probleem: welke plaats had God in een universum van materiedeeltjes die gehoorzaamden aan mechanische wetten? Ongeloof en atheïsme lagen op de loer, zoals de verderfelijke Spinoza liet zien.

Stensen en Swammerdam, zo schrijft Kooijmans, ‘leken op weg om geheel op eigen kracht beroemde artsen te worden door vertrouwend op hun eigen inzichten de raadsels aan te vatten die vorige generaties niet hadden weten te ontsluieren’. Daarbij werd geen gevestigde opinie of reputatie ontzien. Toch kwamen beide onderzoekers tot de conclusie dat redeneren niet tot onfeilbare conclusies leidde. Het had Stensen de betrekkelijkheid doen inzien van de zucht naar kennis en de Deen besloot dat mensen zich maar beter konden concentreren op de zekerheden van het geloof en zich neerleggen bij wat Gods kerk verkondigde. Zelf vond hij rust en geborgenheid in de katholieke eredienst.

Ook bij Swammerdam, die zich in ontledingen van insecten had gespecialiseerd, groeide de behoefte aan houvast. In zijn brieven met onderzoeksresultaten naar collega’s benadrukte hij voortdurend dat alle glorie naar de Schepper diende te gaan. Het was een bezwering die voor hemzelf steeds minder voldeed. In het besef dat hij God wel erg ver had teruggedrongen, was hij zich grote zorgen gaan maken. Hij had het gouden kalf van zijn eigen roem aanbeden, in plaats van God, en daarom had hij iets goed te maken. De innerlijke spanningen liepen zo op dat hij het gedachtegoed van de profetes Antoinette Bourignon omarmde. Het loslaten van al zijn wereldse banden om zo tot wedergeboorte te komen moest hem bevrijden uit de netten waarin hij door zijn levenswandel als anatoom verstrikt was geraakt.

Samenballing van wonderen

Maar op de bazige Bourignon bleek van alles aan te merken en na negen maanden was Jan Swammerdam terug in Amsterdam. Hij hervatte zijn insectenonderzoek en rechtvaardigde dat door te benadrukken dat de zichtbare natuur was op te vatten als een soort bijbel, waarvan de bestudering de mens nader tot de Schepper kon bracht. In 1678 stuurde hij zijn Parijse vriend en begunstiger Thévenot met het oog op publicatie een gedetailleerde verhandeling over de luis, gebaseerd op de ontleding van veertig exemplaren in een week tijd. In de begeleidende brief karakteriseerde hij (met een verwijzing naar het Oude Testament) de luis als de ‘Vinger Gods’. Welke atheïst, aldus Swammerdam, zou bestand zijn tegen de samenballing van wonderen in zo’n nietig diertje?

Geplaagd door koorts voltooide Swammerdam begin 1679 zijn grote werk over insecten. Een jaar later overleed hij aan malaria, 43 jaar oud. Zijn manuscripten liet hij na aan Thévenot maar tot uitgave van de Bijbel der Natuure, de verzameling van zijn anatomische studies naar insecten, kwam het pas in 1727, nadat de Leidse medicus Herman Boerhaave de papieren in bezit had weten te krijgen. Erkenning voor Niels Stensen liet nog langer op zich wachten. In 1988 verklaarde Paus Johannes Paulus II hem heilig.

Anders dan de ondertitel zou doen vermoeden, is Gevaarlijke kennis geen biografie van Swammerdam. Kooijmans was dat oorspronkelijk wel van plan maar liet dat project aan Eric Jorink, verbonden aan het Huygens Instituut en in 2004 gepromoveerd op Het Boeck der Natuere. Wie heeft in Nederland toch bedacht dat twee biografen geen pas geeft? Hoe dan ook, auteurs als Kooijmans en Jorink, die zowel vakgenoten als een breed publiek aanspreken, tillen met hun rijke en aantrekkelijke boeken de wetenschapsgeschiedenis van de 17de eeuw naar een hoger plan. Aan het wetenschappelijk bedrijf van die tijd was niets menselijks vreemd, geloof en wetenschap hadden alles met elkaar te maken en met Intelligent Design was niets mis.