De schijn maakt het leven mooi

De laatste jaren van zijn leven aarzelde Thomas Mann of hij het werk aan Felix Krull zou hervatten. Was deze schelm Manns talent wel waardig?

De laatste jaren van zijn leven worstelde Thomas Mann opnieuw met Felix Krull. Onbedoeld was de roman over de beeldschone bedrieger een soort levenswerk geworden: het idee voor een pastiche-achtig verhaal in de trant van de achttiende-eeuwse autobiografieën was al in 1906 bij hem opgekomen. In 1922 had hij een fragment gepubliceerd. Latere pogingen om het af te maken waren gestrand, maar in 1950 haalde hij het manuscript opnieuw uit de la. Hij werd geplaagd door weerzin tegen de oppervlakkigheid van het materiaal en de angst dat hij de juiste, lichte toon niet meer zou kunnen treffen. In zijn dagboek noteerde hij: ,,Het ogenblik lijkt weer gekomen waarop ik, zoals in mei ’43, de Felix Krull papieren tevoorschijn haalde, alleen om me, na vluchtige aanraking ermee, daarna toch tot de Faustus te wenden. De poging er weer bij aan te knopen moet, zuiver om een blijvende taak om handen te hebben, gedaan worden. (…) Voor de Hochstapler pleit de bekoring van het opvullen van een groot stuk opengelaten werk; van het maken van een boog over 4 met zoveel andere dingen gevulde decennia heen. (...) Zal het mogelijk zijn opnieuw aan te knopen? (...) De homoseksuele roman interesseert me niet in de laatste plaats vanwege de wereld- en reiservaringen die hij biedt. Heeft mijn geïsoleerdheid genoeg ervaring met mensen opgedaan voor een maatschappij-satirische schelmenroman? Alles wat ik weet is dat ik absoluut iets te doen, de binding aan een werk en een levenstaak moet hebben. Ik kan niet niets doen’’ (vertaling Paul Beers).

Ontboezemingen van de oplichter Felix Krull was ook een roman die, besefte Mann terwijl hij er stug verder aan schreef, nooit af zou komen. Uiteindelijk publiceerde hij in 1954 wat hij het eerste deel noemde, maar van het vervolg zette hij geen letter meer op papier. Het personage Krull maakt geen ontwikkeling door; hij transformeert zichzelf steeds weer in een nieuw personage. Dat zal eindeloos zo doorgaan.

De mooie jongen Krull heeft nauwelijks een innerlijk leven. Hij verheugt zich in de wereld – en dus verheugt de wereld zich in hem. Steeds opnieuw raakt hij in vervoering door de uiterlijke pracht van zijn omgeving: de snoepwinkel waar hij chocolade steelt, het circus, de corrida. Tegelijkertijd ziet hij het als zijn levensopdracht het leven vorm te geven. Je moet met het leven spelen, steeds weer een nieuwe rol aannemen, er tegenaan schurken, zonder je er in te verliezen. Kortom, je moet het leven zien als een kunstwerk. Want hoezeer Mann zelf ook twijfelde aan de waarde van het materiaal – was Felix Krull zijn talent wel waardig? – de betekenis van deze roman moet gezocht worden in zijn uitzinnige lichtvoetigheid, de afwezigheid van tragedie, het bestaan van ‘de universele sympathie’ tussen alles en iedereen op deze wereld.

Je begrijpt wel dat de hoogbejaarde Mann daarmee worstelde. Verwondering over de schoonheid van de wereld op de lezer overbrengen vereist een mate van spontaniteit die deze schrijver van nature al niet gegeven was, maar die in zijn laatste jaren buiten het bereik van zijn verbeelding lag. Dat merk je aan de roman, die zijn exuberantie verliest en tegen het einde langdradig wordt, alsof de schrijver ervan het belangrijker vond dát hij schreef, dan wát hij schreef. De ironisch-formele toon is niet langer speels, maar vermoeiend.

In dat laatste deel dringt ook de schrijver zich steeds meer naar voren, die ervan doordrongen lijkt te raken dat hij bezig is aan zijn testament. Dat ontroert. Felix wordt steeds meer beschouwer. Het leven mag dan zinloos zijn, de betekenis ervan schuilt in zijn overstelpende verscheidenheid en pracht. Wanneer het stuurse meisje Zouzou in Lissabon de liefkozingen van Krull op een afstand probeert te houden door een christelijk versje te citeren over de mens als een zak rottende ingewanden, worden Krull en Mann plotseling één in hun verontwaardiging. Dat ‘geniepige’ versje probeert het geloof te vernietigen ‘aan schoonheid, vorm, beeld en droom, aan iedere verschijning, die natuurlijk, zoals het woord al zegt, schijn en droom is, maar wat blijft er van het leven over en van de vreugde die het leven de moeite waard maakt, als de schijn en de zinnenstrelende oppervlakte niet meer meetellen?’

De vreugde waarvan deze roman doortrokken is, is zoals Krull het noemt, ‘de vreugde over de vorm.’ Krull bezit de gave van die spontane vreugde. Voortdurend verwondert hij zich over de onuitsprekelijke schoonheid om hem heen. Maar zelf is hij ook mooi, spontaan en ondoordacht mooi zoals een kunstwerk nooit kan zijn. Tussen de regels voel je de onmogelijke verliefdheid van zijn auteur.