De man die wist hoe het moest

Oud-journalist Stanley leidde legendarische expedities naar Afrika. Niet zachtzinnig, maar meer dan maximaal begaafd voor het vak dat hij uitoefende.

Tim Jeal: Stanley. The Impossible Life of Africa’s Greatest Explorer. Faber and Faber, 496 blz. € 43,–

Daniel Liebowitz & Charles Pearson: De laatste expeditie van Stanley. Vertaald door Jeroen de Keyser. Mets & Schilt, 343 blz. € 28,90

Pas in 1890, wanneer Stanley zijn drie Afrikaanse expedities achter de rug heeft en terug is in Londen, begint zijn leven iets te lijken op dat van de aandachtige lezer in een leunstoel. Hij heeft onderweg in Kairo in vijftig dagen zijn In Darkest Africa geschreven en halverwege het jaar trouwt hij met Dorothy Tennant, die hem na zijn tweede expeditie had afgewezen en nu toch in hem haar beste kans ziet. In het najaar reist het echtpaar naar Amerika, waar Stanley honderdtien lezingen houdt; en in april gaat hij de mogelijkheden onderzoeken voor een vierde expeditie, waar hij best aan toe had kunnen komen als zijn vrouw het niet verboden had. Hij mocht van haar niet weer jaren lang weg. Toen is hij maar lid van het Lagerhuis geworden voor Lambeth North – met tegenzin.

Henry Morton Stanley was kind van een ongehuwde moeder die hem niet wilde houden. Hij bracht zijn eerste vijfeneenhalf jaar door bij zijn grootvader; hij heette toen John Rowlands, naar de man die misschien zijn vader was. Na de dood van zijn grootvader in 1846 werd hij in een weeshuis in Wales geplaatst; daarna woonde hij een paar jaar bij familieleden in Wales en Liverpool, en in 1859 monsterde hij aan op een schip dat hem naar New Orleans bracht. Volgens zijn eigen latere gegevens, die zijn biograaf niet allemaal geloofwaardig vindt, werkte hij kort bij een zakenman, genaamd Stanley, wiens achternaam hij aannam. Hij vocht mee in de Burgeroorlog, eerst aan de zuidelijke, later aan de noordelijke kant. Halverwege de jaren zestig verscheen hij weer in Wales.

Wat Stanley in die tijd allemaal beleefd heeft kan alleen maar summier worden opgehelderd. Tim Jeal, van wie al in 1973 een biografie van Livingstone verscheen, kon met veel moeite nog wat nieuwe gegevens opsporen. Er komt pas model in deze levengeschiedenis wanneer Stanley, terug in Amerika, een baantje krijgt als verslaggever bij de Missouri Democrat in Saint Louis. Vandaar voert een herkenbare lijn naar zijn vrijpostige bezoek aan de machtige Charles Gordon Bennett jr. van de New York Herald, voor wie hij toen een reportage over Ethiopië ging maken.

Met die goed geslaagde publicatie op zijn naam kreeg hij de kans om de beroemde Dr. Livingstone op te sporen, die sinds 1866 de bron van de Nijl wilde vinden en van wie al een tijd lang niets was vernomen. Stanley zou weer gefinancierd worden door Bennett, maar moest ook aan andere steun en voorschotten zien te komen om in maart met zijn karavaan de binnenlanden in te kunnen trekken. Vermoedelijk had Stanley tussen de twintig en dertig man bij zich en er waren nog vier andere groepen die afzonderlijk reisden om de hele expeditie minder kwetsbaar te maken. Onderweg varieerden de aantallen, door weglopers, sterfgevallen, en nieuwe dragers die zich aanmeldden. Toen Stanley aan het eind van het jaar Livingstone kon begroeten in Ujiji aan het Tanganyikameer, had hij een man of tachtig onder zich. Zonder ooit de beroemde woorden ‘Doctor Livingstone I presume’ te hebben uitgesproken, bleef hij vier maanden in diens gezelschap voordat hij terugkeerde naar de oostkust, duizend kilometer die hij nu een stuk vlugger liep dan op de heenweg.

Stanleys reputatie was hiermee gevestigd, en zo kon hij de middelen krijgen voor zijn tweede expeditie, een verkenning van Midden-Afrika, van Zanzibar aan de oostkust tot Boma aan de monding van de Congo in het westen. Hij vertrok in november 1874 en bereikte in augustus het Victoriameer, waar zijn gevolg in gevecht raakte met de bevolking van het eilandje Bumbireh, waarbij 33 doden vielen. Toen dat nieuws lang voor de voltooiing van de expeditie Londen bereikte, opperden zijn critici dat hij zijn ontdekkingsreizen gewelddadiger uitvoerde dan zijn bewonderde voorganger.

Stanley ging inderdaad niet altijd zachtzinnig te werk, maar in hoeverre het mogelijk was om wellevender op te treden konden zorgzame Londenaren eigenlijk moeilijk bepalen. Die overweging belette zijn tegenstanders niet om hem te blijven veroordelen. Hij kon niet uitgemaakt worden voor een veroveraar, een geldwolf of een racist, toch kreeg hij ondanks loftuitingen te maken met ongemakkelijke tegenstanders.

Die tegenstanders wisten toen nog niet dat Leopold II van België bezig was het hele gebied dat later de Congo genoemd zou worden onder zijn beheer te brengen en ook niet dat hij al in een vroeg stadium de medewerking van Stanley zocht. Diens derde expeditie was een Brits project en voerde hem in 1887 van de westkust van Afrika naar het Albertmeer; hij moest daarvoor vrijaf vragen aan Leopold met wie hij een contract had lopen.

Toen de bloeddorstige aanpak van de koning internationaal bekend en veroordeeld werd, was Stanley terug in Engeland aan zijn gehuwde leven begonnen. Daar kreeg hij, bij alle roem weer zware kritiek te verduren op zijn besluit om onderweg naar het Albertmeer een deel van zijn mensen te laten wachten op de terugkeer van de boten waarin het laatste deel van de reis afgelegd moest worden. Die boten boden niet voor iedereen ruimte. De achterblijvers hadden zich niet beheerst gedragen, er waren ruzies en schandalen gemeld en er was een aantal doden gevallen, onder wie de commandant, majoor Barttelot. Ook werd Stanley ervan beschuldigd de zaken verkeerd voor te stellen.

Deze kwestie wordt ook uitvoerig behandeld in De laatste expeditie van Stanley door Daniel Liebowitz en Charles Pearson dat alleen de reis van 1887-89 behandelt. Die vormt op zichzelf al een heel sterk verhaal, en wie de 475 pagina’s van Jeal te veel vindt, kan hier ook veel leren over de grote reiziger, die hier minder sympathiek wordt voorgesteld. Via Jeal leer je hem beter kennen zonder alles overigens nog goed te begrijpen. Daarom zou een echte Stanleykundige ten minste ook wat van zijn eigen boeken moeten lezen (tien titels), plus diens dagboeken en correspondentie, en dan ook nog het werk van tijdgenoten. Geleidelijk aan wordt dan begrijpelijker hoe die Welshman zonder achtergrond en opleiding, zonder geld en zonder steun van regeringen, het zover kreeg dat hij met honderd of meer man onder zich het ongebaande oerwoud in kon trekken, niet op zoek naar kennis. Hoe voorkwam hij dat zijn ondergeschikten in opstand kwamen of wegliepen, ook als hij straffen uitdeelde, wat nogal eens voorkwam?

Behalve over Stanley’s leiderschap blijven ook vragen over praktische regelingen onbeantwoord: hoe de bescheiden financiering rond kwam en wat er midden in de wildernis mee betaald werd; hoe het met voedsel zat; hoe met de bescheiden medische voorzieningen werd omgegaan bij verwondingen en koortsen; hoe er af en toe gecommuniceerd werd met de buitenwereld.

En dan blijft ook nog de vraag naar Stanleys persoonlijkheid. Dat hij een onweerstaanbaar meeslepende allure had blijkt nergens; hij was gewoon een praktische kerel die zei hoe het moest, en dan gebeurde het. Terug in Engeland was hij altijd ongemakkelijk en onhandig in de omgang met vrouwen. Tenminste, dat dacht hij en daar tobde hij over, en zijn voorzichtige pogingen tot toenadering, lijken dat te bevestigen. Een verbluffende man, deze Stanley, meer dan maximaal begaafd voor het vak dat hij uitoefende. Behalve respect kan je bij een paar taferelen ook iets vertrouwelijks voor hem voelen. Bij het ene beeld staat hij uit te kijken naar het oerwoud, de sterrenlucht en de rivier; ’s nachts (en dat deed hij nogal eens) wanneer al zijn mensen sliepen uit te kijken naar het oerwoud, de sterrenlucht en de rivier; en dan voelde hij dat hij wist wie hij was en wat hij moest in de wereld. In het andere beeld zit hij, zestig jaar oud, in een zwart herenpak op een stoel en er staat een jongetje bij zijn knie. Dat was Denzil, in 1895 aangenomen omdat het echtpaar geen kinderen kreeg. Het was de vervulling van zijn innigste droom, zei Stanley. Negen jaar later stierf hij.