De gedichtendagbundel

Ik hou niet van poëzie. Zoals ik trouwens ook niet van proza hou. Of van het weer. Of van cd-muziek. Herman Koch, ooit, in Jiskefet, in zijn rol van interieurcontroleur: ‘Houdt u van cd-muziek?’ Niemand houdt van alle poëzie, of van alle proza, of van alle weer, of van alle op cd opgeslagen muziek – hooguit van bepaalde soorten. Daarom word ik altijd wat narrig van de jaarlijkse Gedichtendag. Een Gedichtendag is wel mooi, maar een Goedegedichtendag, met alleen maar aandacht voor goede gedichten, zou nog beter zijn.

Een Gedichtendag heeft ook altijd een thema. Zonder thema gaat het blijkbaar niet. Gisteren, op Gedichtendag 2008, stond ‘de relatie tussen poëzie en dingen centraal’. Lekker breed thema. Zelfs het weer valt eronder, en alle proza, en ook alle cd-muziek. Er was ook weer een Gedichtendagbundel. Zoals altijd een fijn katerntje van zestien bladzijden, tien gedichten, agendaformaat, bijna gratis (2,50 euro). En zoals altijd een mooi klein ding om te zien, lekker om in de hand te hebben.

De Gedichtendagbundel was dit jaar geschreven door Mark Boog (1970) Als er nu één dichter is wiens werk niets te maken heeft met ‘dingen’, dan is hij het wel. Boog is de dichter van een merkwaardig dingloos oeuvre, dat zich afspeelt in een merkwaardig dingloos, en trouwens ook naam-, plaats- en aanleidingloos universum. Boog is een specialist in stilstaande situaties en uitgestelde gemoedsbewegingen, op een rare onthechte manier beschreven. Ik houd er wel van, maar ik kan het niet goed navertellen. ‘Dus hier zit ik, en wacht’ is een typische Boog-situatie, begin van een gedicht waarin hij betoogt, onder veel meer: ‘Het einde van de bureaustoel, vertraagd / (...) zal een onderwerp van interesse zijn, / in lijsten opgenomen.’ Je spreekt het niet makkelijk tegen. Dat geldt ook voor de beweringen in zijn bundel De encyclopedie van de grote woorden, bekroond met de VSB Poëzieprijs 2006. Daarin ging het alleen maar over grote woorden als ‘afgunst’, ‘angst’, ‘dood’, ‘haat’, ‘liefde’, ‘moed’ en zo abstract en alfabetisch verder, tot en met ‘zonde’ en ‘zuiverheid’ – dus niet over dingen als een gasaansteker, een fietsventieldopje of een zandschaaf.

Iedereen las gisteren de Gedichtendagbundel van Boog: Alle dagen zijn van liefde. Vage Bløf-titel. Ook hier laat het zich allemaal moeilijk navertellen. Ik zag elementen van een treinreis. Maar het kan ook een symbolische reis zijn, door het leven of door een relatie. Of was het een reisfilosofie, in tien ritten? Ik zag verwijzingen naar aankomen en vertrekken, blijven en gaan. Ik las: ‘Thuiskomen is de gedachte die de trein bevat, thuiskomen / is een vreemd voorwerp dat aan het eind zich opheft’. Het is kalm praten, in rijmloze regels. Is het afstandelijk, contactgestoord, onthecht – of moet je er vooral een beetje de droogkomische humor van zien? ‘De trein is een lange regel die zijn rijm / zoekt te ontwijken, die zich proza waant // of zelfs een trein.’ Je moet er wel gevoel voor hebben. En geduld. Waar gaat die regeltrein naar toe? ‘Aan het einde wacht het punt.’ Als je het sloom leest, heeft het wel wat. In de file, of in een stilstaande trein, midden in de weilanden. Onthaasting. Slow Poetry. Slome Poëzie, die vraagt om Sloom Lezen – één dag per jaar. Ik denk niet dat veel lezers van gisteren het boekje vandaag opnieuw in de binnenzak hebben gestoken.