Alleen, in kou en in diepe duisternis

Georgina Harding: De eenzaamheid van Thomas Cave. Vert. Lilian Schreuder. Anthos, 256 blz. €19,95

Georgina Harding is een Britse reisboekenauteur die opeens na haar 50ste indrukwekkend debuteert met een roman over een mens die, ergens op een onmenselijke plek, diep in zichzelf reist. De eenzaamheid van Thomas Cave gaat over een eenzame overwintering in 1616- 1617 op een eilandje bij Spitsbergen. Dat verblijf is de inzet van een weddenschap van een eigenwijze zeeman met de rest van de bemanning op zijn walvisvaarder. Er wordt veel gejaagd, wat soms walgelijke beelden oplevert. Zo gaan de walvisjagers zich al op bladzijde 20 ‘even vermaken’ met het doodknuppelen van een kudde zeehonden, waarbij een van hen een zeehondenjong levend vilt en dan voor de grap terugzet in het water, waar het dan kronkelend en draaiend rond zwemt ‘in zijn rode pakje’. Gruwelijk, maar met dit incident wijst de schrijfster vooruit naar een doodgeboren baby die een cruciale rol in het leven van Thomas Cave speelt. Het ‘rode pakje’ blijft de lezer bij tot het op bladzijde 164 pas een diepere betekenis krijgt, als Cave zich herinnert hoe hij zijn nog bebloede doodgeboren zoon in de handen hield.

Cave is een onpeilbaar verdrietige zeeman als hij de krankzinnige weddenschap aangaat om in zijn eentje te overwinteren bij de Noordpool. Het is 1616. Op 15 oktober ziet hij het laatste streepje zonlicht, om pas op 27 februari weer de zon te kunnen begroeten – en dan prompt na een gevoel van totale vervoering, compleet in te storten.

Georgina Harding slaagt er voortreffelijk in de eenzaamheid van Thomas Cave invoelbaar te maken. Door de onmenselijke kou en het gebrek aan licht raakt de man in een trage roes van verbijstering, waarin hij alleen nog maar bidt en hakken snijdt van hout. En hij wordt er bezocht door hallucinaties van zijn vrouw die bang was te sterven in het kraambed, omdat de foetus in haar te groot voelde. ‘Het is geen walvis, kind, je hebt gewoon te veel kaas gegeten.’

Prachtig is de scène waarin weduwnaar Cave, na zich voor het eerst in vier maanden gewassen te hebben, viool speelt bij een wak om een zeehond naar zich toe te lokken. Maar de afschuwelijke parallel tussen het gevilde zeehondenjong en zijn eigen dode kind richt de aandacht op het barbaarse van de jacht. Lang na zijn terugkeer in de bewoonde wereld weet Cave, ‘Wij hadden daar nooit heen mogen gaan [...] We negeerden Hem’. Voor een weddenschap om honderd Britse ponden ondervond hij in een winterlange marteling dat er geen duivels bestaan, behalve die in onszelf.