Aanpak van inflatie verdeelt VS en Europa

Terwijl de inflatie oploopt en groeivooruitzichten wankelen, loopt het economische en monetaire beleid in Europa en de VS gevaarlijk uiteen.

Eén crisis, twee antwoorden. Terwijl de wereldeconomie een wankel jaar tegemoet gaat, blijken aan weerszijden van de Atlantische Oceaan zeer verschillende ideeën te bestaan over het te voeren beleid.

Deze week verlaagde de centrale bank van de VS, de Fed, de rente met een half procentpunt tot 3 procent, na vorige maand een ongekend forse verlaging van driekwart procentpunt te hebben doorgevoerd. President Bush en het Congres sleutelen aan een stimuleringspakket voor de economie ter waarde van 157 miljard dollar, circa 1 procent van de Amerikaanse economie. In Europa houdt de Europese Centrale Bank zijn officiële rente juist vast op 4 procent en is van grootscheepse stimuleringsplannen geen sprake.

Het verschil van inzicht is opmerkelijk. De Amerikaanse inflatie is inmiddels opgelopen tot boven de 4 procent, een waarde die gewoonlijk alle alarmbellen in Washington zouden doen afgaan. Kennelijk is het vermijden van een recessie daar nu belangrijker dan inflatiebeteugeling.

De Europese, van Duitsland geërfde, traditie is anders: het handhaven van prijsstabiliteit – een inflatie van tegen de 2 procent – wordt hier gezien als eerste voorwaarde voor economische stabiliteit. Gisteren bleek de inflatie in de eurozone te zijn opgelopen tot 3,2 procent, de hoogste waarde in 14 jaar. Onder die omstandigheden is het moeilijk denkbaar dat Frankfurt volgende week in navolging van de VS zijn rentes verlaagt.

De botsing tussen Europa’s nadruk op inflatiebestrijding en het Amerikaanse economische activisme is riskant. Aan de beurskrach van 1987 ging een soortgelijk meningsverschil vooraf tussen Frankfurt, waar de Bundesbank de voorloper was van de ECB, en Washington. Het was vooral de angst van beleggers dat de VS de inflatie uit de hand zouden laten lopen, die destijds de aanzet gaf voor de correctie op de aandelenbeurzen in oktober van dat jaar. Net als toen vinden de Amerikaans-Europese spanningen als eerste hun ontlading in de wisselkoers van de beide munten. De dollar lijkt sinds de renteverlagingen in de VS op weg naar een tweede poging sinds november vorig jaar om de grens van 1,50 dollar per euro te doorbreken.

Schadelijke meningsverschillen liggen op de loer: op de financiële markten circuleren de eerste verwijten dat Amerika de ‘Argentijnse’ oplossing kiest voor zijn probleem. Een oplopende inflatie is een goedkope manier om uit de schulden te komen, maar het buitenland betaalt dan de prijs in de vorm van een zwakker wordende dollarkoers. Tegelijkertijd is het wachten op de eerste Amerikaanse irritaties over Europa’s inertie. De ECB beschouwt haar handen als gebonden. Naast de hoge inflatie geven recente economische cijfers en vertrouwensindicatoren aan dat de eurozone als geheel voorlopig weinig kans loopt zelf in een recessie te raken. Is er uitzicht op een Amerikaans-Europees compromis? Het grote probleem binnen de wereldeconomie is het enorme en hardnekkige tekort op de Amerikaanse betalingsbalans.

Om dat recht te trekken zullen de Amerikanen een periode van lagere binnenlandse vraag, en dus economische groei, moeten toestaan. De buitenwereld, lees vooral Europa, zal zijn binnenlandse vraag juist moeten stimuleren. Beide kampen doen op dit moment het tegenovergestelde. En die patstelling is onheilspellend.