Toen verschil bleek, werd het doodstil

Patiënten met een alvleesklierontsteking kregen bij een onderzoek een bacteriepreparaat dat onschuldig leek. Velen overleden daaraan. ‘Uitzonderlijk, dramatisch.’

Nederlandse patiënten met een alvleesklierontsteking zijn overleden door een medicijn dat voornamelijk bestond uit bacteriën die in heel gewone zuivelproducten zitten, zoals yoghurt. Dat is vreemd.

Dat bacteriepreparaten bij ratten en in een Hongaars onderzoek met vergelijkbare patiënten juist prima leken te werken, maakt het vreemder. Of zoals onderzoeksleider prof. dr. Hein Gooszen het gisteren op een persconferentie formuleerde: „Dat een onderzoek op deze schaal misloopt is uitzonderlijk. Volstrekt dramatisch.”

De boosdoener was een preparaat met zes doodgewone soorten bacteriën: melkzuurbacteriën, en Bifidobacterium-stammen. Grotendeels bevatte het extract dezelfde bacteriën als ook in yoghurt zitten, of in drankjes als Yakult of Vifit. Deze bacteriën veroorzaken geen infecties. Ze worden juist geslikt omdat ze gunstig zouden zijn voor de darmflora. Of die portie bacteriezuivel echt nuttig is voor gezonde mensen, wordt nog betwijfeld. Toch zijn veel wetenschappers bezig met deze ‘probiotica’, maar dan voor zieken. Onderzoeker Marc Besselink van de Utrechtse studie: „Het lijkt erop dat patiënten bij buikoperaties, zoals voor kanker of levertransplantaties, er 10 tot 15 procent minder infecties door krijgen.”

Ook voor mensen met een acute alvleesklierontsteking zouden bacteriën in theorie nuttig zijn. Elk jaar komt zo’n ontsteking bij ruim drieduizend Nederlanders voor. De oorzaak is dat een galsteen de afvoergang van de alvleesklier verstopt. Verteringsenzymen voor eiwitten en vetten die de klier produceert, lekken dan via de wand van de alvleesklier naar buiten. Die enzymen vreten organen aan. Als ook de darmen aangetast raken, komen schadelijke bacteriën vrij en nestelen zich in de aangevreten weefsels bij de alvleesklier. Eén op de tien patiënten sterft aan een alvleesklierontsteking, en in het overgrote deel van de gevallen is zo’n infectie met darmbacteriën de boosdoener.

Melkzuurbacteriën die regelrecht via een sonde in de dunne darm worden ingebracht, zouden die woekering van schadelijke bacteriën voorkomen. Ze concurreren domweg om de ruimte, en maken de darm ook nog eens zuur: de schadelijke bacteriën gedijen in zo’n milieu niet goed. Ook produceren die probiotica misschien stoffen die ontstekingen remmen.

In onderzoek met ratten dat in Utrecht zo’n vijf jaar geleden werd uitgevoerd, werkte het preparaat. Ratten met een kunstmatig opgewekte alvleesklierontsteking die de portie bacteriën via een sonde kregen, bezweken minder vaak aan infecties.

In Hongarije was een vergelijkbare methode een paar jaar eerder zelfs al twee keer bij patiënten getest. In één van die experimenten daalde de sterfte – al waren het kleine studies met maar zo’n vijftig deelnemers.

Maar in de Nederlandse ziekenhuizen liep het anders. Na afloop van de studie bleek dat in de probiotica-groep 16 procent van de patiënten was overleden, tegen 6 procent van de andere deelnemers. Toch was er in het aantal infecties geen verschil. Besselink: „We weten alleen dat de mensen díe stierven, al binnen een of twee dagen ‘onderuit gingen’. Hun hart-, nier en longfunctie moest door een machine worden overgenomen. Maar verder tasten we in het duister”.

Van vervuiling van het preparaat was volgens Besselink geen sprake. De onderzoekers opperen dat het ongunstig kan zijn probiotica toe te passen bij mensen met orgaanfalen en andere patiënten op de intensive care. Besselink: „In tegenstelling tot in andere studies waren onze patiënten al doodziek bij het begin van de behandeling.”

De Spaanse dr. Francisco Guarner oppert desgevraagd echter dat de verschillen veroorzaakt zijn door toevallige, niet bij voorbaat opgemerkte verschillen tussen de patiëntgroepen. Hij is een bekend specialist op het gebied van probiotica bij darmaandoeningen. Guarner: „Bij dit soort patiënten varieert de sterfte enorm. Factoren zoals leeftijd, diabetes, chronische leverziekte hebben invloed. Daarom is het belangrijk dat alles vergelijkbaar is, tussen de twee groepen patiënten.”

Vaak wordt een onderzoek voortijdig stopgezet, als de geteste ingreep al tijdens de looptijd nadelig blijkt. In dit geval waren die aanwijzingen er niet, aldus het UMC. De totale sterfte onder de patiënten die aan de studie meededen, was zoals verwacht ongeveer 10 procent. Tijdens dit type patiëntonderzoek weet niemand tijdens de studie (de artsen, noch de patiënten) wie welke behandeling krijgt. Daardoor werd pas na het experiment duidelijk dat er zo’n groot verschil in sterfte was tussen de twee groepen. Hoogleraar Gooszen: „Toen de sleutel werd verbroken, was het doodstil”.