Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Filosofie

Het mysterie-tekort

‘Bronnen van het zelf’, het sleutelwerk van de Canadese filosoof Charles Taylor over het ontstaan van het moderne ‘ik’ is eindelijk in het Nederlands vertaald. Tegelijk verscheen ‘A Secular Age’, over de relatie tussen religie en de rede.

Charles Taylor: Bronnen van het zelf. Vert. Marjolijn Stoltenkamp. Inleiding Joep Dohmen. Lemniscaat, 773 blz. € 49,95

Charles Taylor: A Secular Age. The Belknap Press of Harvard University Press, 874 blz. € 24,99(Vertaling in 2009 bij Lemniscaat)

Ingeborg Breuer: Taylor. Lemniscaat, 156 blz., € 12,50

Het moet ergens in de jaren zeventig of tachtig geweest zijn. ‘Ik zat op een hoop roestig ijzer en staarde naar de kroon van een enorme boom die zich uitstrekte over de hekken, het prikkeldraad en de wachttorens die me ervan scheidden. Terwijl ik keek ... werd ik overmand door een ervaring die moeilijk te beschrijven is.... Ik werd overspoeld door een gevoel van volstrekt geluk en harmonie met de wereld en mijzelf... Ik zou zelfs zeggen dat ik op een of andere manier was ‘getroffen door liefde’, maar ik weet niet precies voor wie of wat.’

Dat schrijft Vaclav Havel in zijn Brieven aan Olga en de Canadese filosoof Charles Taylor (1931) haalt die passage aan tegen het einde van zijn nieuwe boek A Secular Age. Waarom, zo vraagt hij zich af, zijn ervaringen als die van Havel voor de moderne tijd zo moeilijk te bevatten? En hoe is het gekomen dat voor de Europese mens van 1500 het bestaan van een goddelijke orde volstrekt vanzelfsprekend was, terwijl nu het exacte omgekeerde daarvan het geval is?

De verklaring ligt voor de hand. Het wetenschappelijk inzicht heeft het bestaan van een goddelijke hand steeds onwaarschijnlijker gemaakt. Naarmate de rede verder oprukte, heeft het geloof zich moeten terugtrekken in almaar afgelegener bastions, waarvan het Intelligent Design de meest recente is. De rede heeft het geloof als het ware van de wereld ‘afgepeld’, om een glanzende kiemcel over te houden waarvan alles inzichtelijk werd – of althans op termijn beloofde te worden.

Dat is wat Taylor de ‘kleineringstheorie’ noemt. De intellectuele geschiedenis is daarin een lange strijd van de ratio tegen het obscurantisme van het geloof, waaruit zij ten slotte triomfantelijk tevoorschijn komt. Het is de historia oficial van de geseculariseerde cultuur waarin wij leven en waarvan Jan Blokker twee weken geleden in zijn column nog een samenvatting gaf. Met verwondering stelde hij vast hoe grote geleerden in de 17de eeuw wel steeds dieper doordrongen in de mysteries van de natuur, maar voor alle zekerheid toch nog een lijntje openhielden naar God.

Blokkers verbijstering zou door Taylor niet worden gedeeld, want deze officiële historie is – zo betoogt hij in A Secular Age – hoogstens een heldenverhaal-achteraf. Niet de koele rede heeft in een bittere strijd met het geloof het moderne wereldbeeld op die laatste veroverd. Het was het geloof zelf dat zich, met de rede in de hand, probeerde te verdiepen. Van de weeromstuit bracht het daarbij echter effecten teweeg die voor de religie levensbedreigend bleken.

Die ontwikkeling beschrijft Taylor in een breed panorama barstensvol historische inkijkjes, zijsprongen en detailstudies. Hoewel Taylor zichzelf nogal eens herhaalt – al was het maar om te midden van al die eruditie de rode draad niet te verliezen – staat er op bijna elke pagina wel een eye-opener of iets dat tot nadenken dwingt. Hij schrijft over de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring en de huidige Kulturkampf in dat land, over het zelfbestuur van laatmiddeleeuwse steden, over Eliots The Waste Land en het ontstaan van een publieke debatsruimte in de westerse samenleving, over de Romantische jeugdcultus en de Parijse studentenopstand van ‘68.

A Secular Age is dan ook te beschouwen als het tweede luik van de grote ideeënhistorische studie die hij in 1989 aanving met zijn onlangs in Nederlandse vertaling verschenen filosofische meesterwerk Bronnen van het zelf. Het panorama, de eruditie en de grondigheid zijn dezelfde, maar de invalshoek is anders. Terwijl dit eerste boek – zo licht de ondertitel toe – de ‘ontstaansgeschiedenis van de moderne identiteit’ beschrijft, onderzoekt Taylor in A Secular Age welke veranderingen de cultuur heeft moeten doormaken om een dergelijk modern ‘ik’ te kunnen voortbrengen.

Vanzelfsprekend is dat laatste immers niet. Wij hebben de neiging ons ‘ik’ allereerst te beschouwen als een binnenruimte met een diepte die in de loop van de eeuwen alleen maar groter is geworden. De buitenwereld verschijnt als een geheel van ‘data’ waarmee we technisch aan de slag kunnen. Zo werd het ‘ik’ de

[Vervolg op pagina 2]

Charles Taylor en de geboorte van het moderne ‘ik’

[Vervolg van pagina 1]meester van zijn wereld, waarin hij geen God meer nodig had.

Ook in Bronnen van het zelf laat Taylor voortdurend zien hoe deze ontwikkelingen gepaard gingen met en mede veroorzaakt werden door materiële ontwikkelingen. Maar ze werden in niet mindere mate in het leven geroepen door de ideeën die mensen koesterden over hun bestaan – en die waren tot ver in de moderne tijd door en door religieus gekleurd.

Zo werd het besef van de vroegmoderne mens dat hij een autonoom moreel wezen was ongetwijfeld gevoed door de politieke ervaringen van de burgers. Voor het eerst moesten zij het bestuur van hun steden immers in eigen hand nemen. Maar minstens zo belangrijk, benadrukt Taylor, was de niet aflatende bemoeienis van de kerk. De gelovige moest zijn christendom niet alleen dragen als een uitwendig gewaad, maar internaliseren in zijn ziel – en ernaar leven. Zijn geloof werd zijn zaak, en dus moest hij leren daarvoor zelf verantwoordelijkheid te nemen. Met die internalisering ontstaat niet alleen de moderne binnenwereld van het ‘ik’, maar ook zijn besef van autonomie.

Zo haaks als deze ontwikkeling staat op de ‘officiële seculariseringsgeschiedenis’, zo ingrijpend veranderde echter de wijze waarop het goddelijke werd ervaren. Vooral met de komst van het protestantisme, begin 16de eeuw, was het met de directe, bijna fysieke ervaring van het goddelijke (in heiligdommen, op bedevaartplaatsen, op heilige tijden) gedaan. God moest voortaan in de hele schepping worden ervaren. In de wonderbaarlijke inrichting van de natuurlijke wereld toonde zich zijn geest – en er kwam aandachtige observatie aan te pas om die te leren zien.

Het is daarin dat de moderne natuurwetenschap tot bloei kwam, zo betoogt Taylor in A Secular Age. Niet als de ontmaskering van een achterlijke geloofswereld, maar als een subtielere vorm daarvan. Voor geleerden als Boyle of Newton vormde het godsgeloof dan ook geen verzekeringspolis voor het geval-dat, maar de bekroning van hun wetenschappelijke werk. Dat is de betekenis van het deïsme van die tijd, waarin God als een horlogemaker schuil is gegaan achter zijn schepping maar zijn vinger daarin nog wel te herkennen is.

Maar ook dit deïsme kon niet voorkomen dat God gaandeweg verdween achter dit ‘wondere werk’, dat tenslotte zijn werk niet meer was. Het geloof maakte plaats voor een wetenschappelijk wereldbeeld omdat dit laatste een aantrekkelijker moreel perspectief bood. Het profileerde zich als realisme (tegenover begoocheling), als intelligentie (tegenover domheid) en als moed (tegenover een bestaanszwakte die steeds weer troost nodig heeft).

En bovenal, zo laat Taylor zien, sloot het wetenschappelijk materialisme naadloos aan bij het zelfbeeld van het moderne ‘ik’. Het legde de wereld uit in kleine brokjes die analyseerbaar en daardoor beheersbaar werden. De wetenschap onderstreepte de autonomie die het subject aanvankelijk om religieuze redenen ingeprent gekregen had. Zo leken het wetenschappelijke, gemechaniseerde wereldbeeld en het geëmancipeerde, moderne ‘ik’ samen de onontkoombare uitkomst te moeten worden van de geschiedenis.

Maar in werkelijkheid was ze noch onontkoombaar noch probleemloos, aldus Taylor. In beide boeken doet hij een aanval op wat Ingeborg Breuer in haar heldere inleiding op zijn werk (tegelijk met Bronnen van het zelf verschenen in de reeks ‘Kopstukken filosofie’) de moderne ‘beheksing’ door het wereldbeeld van de natuurwetenschappen noemt. Bewonderenswaardig als deze laatste zijn, worden ze gevaarlijk wanneer zij – zo schrijft Taylor – als enige gaan beslissen over wat voor het mensenleven als waar en belangrijk geldt. Want deze ontwikkeling heeft naast de emancipatie van het individu ook een flink ongenoegen met zich meegebracht, zo constateerde Taylor al eerder in zijn korte studie De malaise van de moderniteit (1994).

In zijn beide hoofdwerken analyseert Taylor dit onbehagen uitvoerig. Bevrijd als het is, lijkt het leven van het individu tegelijk zijn betekenis te hebben verloren. De ethiek, zo laat hij in de eerste hoofdstukken van Bronnen van het zelf zien, houdt zich alleen nog maar bezig met de procedurele vraag: ‘Hoe bepalen wij wat goed is’ – en beschouwt de vraag wat het goede zelf is als achterhaald. Maar in het werkelijke leven weten we heel goed te onderscheiden tussen onze persoonlijke voorkeuren en onvoorwaardelijke deugden en plichten, zo werpt hij tegen. De levenservaring zelf keert zich tegen een ‘wetenschappelijke’ filosofie die alleen nog theoretische subjecten lijkt te zien.

Datzelfde geldt voor het materialistische wereldbeeld dat geen ‘transcendentie’ meer wil erkennen, aldus Taylor. De wetenschappelijke blik ziet alleen nog een neutraal en onbewogen kosmos. Maar de wetenschapper, zo laat hij met een getuigenis van Douglas Hofstadter zien, kan daartegenover niettemin een groot ontzag voelen. Aan godsdienst hoeft hij daarbij (zoals Hofstadter of, in Nederland, Vincent Icke) geen behoefte te hebben, zo geeft Taylor toe. Maar toch is dat ontzag iets wat aan het strikte materialisme ontsnapt – want in een écht mechanistisch universum is daarvoor onmogelijk een plek te vinden. In werkelijkheid is onze cultuur dan ook maar half-verlicht, zo merkt Taylor terecht op. Op de Verlichting volgde onmiddellijk de Romantiek, die het mysterie-tekort onmiddellijk weer aanvulde. In de schaduw van beide leven wij, ook al beschouwen we onszelf als door-en-door rationalistisch.

Wat dat voor de toekomst van de godsdienst betekent, blijft ook aan het einde van A Secular Age de vraag. Terecht onderstreept Taylor dat de spirituele behoefte in de huidige tijd niet is afgenomen en na de implosie van de gevestigde religies nieuwe wegen zoekt. Té gemakkelijk komt bij de belijdende katholiek die Taylor is echter nog altijd God om de hoek kijken. Dat het moderne ‘ik’ het niet kan stellen zonder het besef te leven in een bredere wereld dan die van zijn eigen macht van denken en doen, lijkt onweerlegbaar. Maar daarom te besluiten tot het bestaan van een transcendente God, is een stap te ver, en Taylor beargumenteert die stap nergens goed. Liever houdt men het na de lezing van deze twee imposante boeken dan ook maar op de getuigenis van Havel, die werd ‘getroffen door liefde’ maar niet precies wist ‘voor wie of wat’.