Biobrandstof doet meer kwaad dan goed

Al enkele jaren na de invoering blijkt dat de huidige biobrandstof meer problemen veroorzaakt dan hij oplost, schrijven Geert Bergsma en Bettina Kampman.

Eurocommissaris Stavros Dimas (Milieu) denkt dat de Europese doelen voor biobrandstof te hoog zijn gesteld (NRC Handelsblad, 14 januari). De EU wist bij invoering niet dat ontbossing en hoge voedselprijzen het gevolg zouden zijn van biobrandstof. Hij pleit ervoor om het programma op een laag pitje te zetten totdat de tweede generatie biobrandstoffen beschikbaar is.

Ook Nederland zou niet moeten doorgaan met het biobrandstofprogramma. Het zou meer kwaad dan goed doen. Het doel om in 2010 in diesel en benzine 5,75 procent biobrandstof bij te mengen, is achteraf gezien onverstandig.

Het klonk allemaal zo mooi: biodiesel uit koolzaad en bio-ethanol uit suikerbieten en graan. De Nederlandse overheid verplicht de oliemaatschappijen daarom om steeds meer biobrandstof bij te mengen in benzine en diesel. Daarmee zouden we milieuvriendelijk kunnen autorijden.

Maar dat is een vergissing. De huidige biobrandstoffen veroorzaken meer problemen dan ze oplossen. Ze zorgen voor stijgende prijzen voor graan en maïs, ze concurreren met voedsel, ze vergen veel water dat al zo schaars is, en er wordt bos gekapt om voor ons ‘milieuvriendelijke biobrandstof’ te produceren. De regenwouden van de Amazone en op Borneo worden gekapt om plaats te maken voor palmolieplantages, sojavelden en suikerriet. En dat alles terwijl de CO2-winst van biobrandstof, het voordeel voor het klimaat, beperkt is en soms zelfs negatief uitvalt – zeker als je ook de gevolgen van ontbossing meeneemt.

Toch wil de overheid nog steeds de verkoop van biobrandstof de komende drie jaar verdrievoudigen. In 2007 moest er verplicht 2 procent biobrandstof worden ingezet in benzine en diesel, dit jaar 3,25 procent. In 2010 zou dit 5,75 procent moeten zijn.

Deze toename leek enkele jaren geleden misschien goed, maar is met de kennis van nu niet meer te verantwoorden. Wij pleiten er daarom voor om af te zien van de doelstelling van 5,75 procent bijmenging en het doel van 2007 (2 procent) voorlopig maar aan te houden. Dit voorkomt dat we onder het mom van klimaatbeleid verantwoordelijk zijn voor ontbossing elders in de wereld en voor stijgende voedselprijzen.

Voorstanders van biobrandstof hebben hun argumenten om de toename van bijmenging door te zetten. Ze zeggen dat hiermee de ontwikkeling wordt gesteund van de duurzame tweede generatie biobrandstoffen. Die tweede generatie is er nog niet, maar er wordt hard aan gewerkt. Ze richt zich op chemisch kraken van afvalstoffen als stro en hout.

Maar dat is niet zo, die generatieterminologie is misleidend. Zeker bij biodiesel heeft de techniek van de tweede generatie niets te maken met de huidige biodiesel.

Het tweede argument is dat deze tweede generatie met een beetje steun de eerste generatie snel uit de markt zal dringen. De Tweede Kamer heeft daarom een motie aangenomen dat deze betere brandstoffen zwaarder mee moeten tellen in de 5,75 procent verplichting voor 2010. Dat is een goed begin, maar wetenschappers zeggen dat het nog zeker tot 2015 gaat duren eer tweede-generatiebiobrandstoffen tegen redelijke kosten zijn toe te passen.

Derde argument zijn de duurzaamheidscriteria: als we de herkomst van biobrandstof gaan certificeren dan wordt de duurzaamheid van die 5,75 procent gegarandeerd. Ook daarover is onlangs een stevige motie in de Tweede Kamer aangenomen. Alleen duurzame biobrandstoffen mogen straks meetellen in de verplichting. Maar is het probleem hiermee opgelost? Allereerst zijn er de praktische problemen om binnen twee jaar een gedegen certificeringsysteem op te zetten. Het belangrijkste probleem ligt echter fundamenteler. De mondiale concurrentie met voedsel, de ontbossing en de grote watervraag zijn niet te vatten in een certificeringsysteem. Stel dat wij biodiesel betrekken uit keurig, in Europa geteeld, koolzaad. Dan moet de margarinesector, die dit koolzaad nu gebruikt, ergens anders zijn grondstoffen vandaan halen en overstappen op palmolie – we gaan niet minder margarine eten als we op biodiesel gaan rijden.

Ook de biodieselsector zelf zegt dat de stijgende vraag naar biodiesel leidt tot een uitbreiding van de markt voor plantaardige oliën. En deze markt wordt mondiaal vooral ingevuld met palmolie en sojaolie. Dus, ook al gebruiken we duurzame Nederlandse of Duitse koolzaad voor onze biodiesel, indirect leidt het biodieselgebruik in Europa toch tot ontbossing elders.

Het laatste argument dat wordt aangevoerd om toch te blijven vasthouden aan toename van biobrandstof is dat we anders onze klimaatdoelen niet zouden halen. Maar volgens ons is de CO2-besparing van biobrandstoffen zeer onzeker. Inclusief de indirecte effecten die we net beschreven hebben, variëren de gevolgen voor de broeikasgasuitstoot tussen de 80 procent reductie en 100 procent toename van emissies ten opzichte van fossiel. In de ongunstigste gevallen zorgen biobrandstoffen dus voor twee keer zoveel uitstoot van broeikasgassen als fossiele diesel of benzine!

Als er al een voordeel is, dan zijn de huidige biobrandstoffen als klimaatmaatregel heel erg duur. De schattingen lopen uiteen van 200 euro tot 4.000 euro per ton vermeden CO2. Ander klimaatbeleid is veel goedkoper: windmolens kosten minder dan 100 euro per ton CO2, zonnespiegelcentrales in Noord-Afrika rond de 50 euro per ton CO2 en ook extra energiebesparing in de industrie en bij huishoudens is veel goedkoper.

Wacht dus met grootschalige invoering van biobrandstoffen totdat zeker is dat ze milieuvriendelijk worden geproduceerd. De eerste generatie biobrandstof doet meer kwaad dan goed. Onze milieu-euro’s kunnen we beter in andere opties steken.

Geert Bergsma en Bettina Kampman zijn adviseurs bij het milieuadviesbureau CE Delft.