‘De school wilde een blanke van me maken’

Tot in de jaren zeventig werden indianenkinderen in Canada verplicht naar internaat gestuurd, om hen te laten opgaan in de blanke maatschappij. Wie geen Engels sprak kreeg slaag.

Earl Paul (rechts) en Pat Paul, Ojibwa indianen, zijn wat aan het dollen in het Lake Manitoba reservaat in Canada. Foto Paul A. Souders/CORBIS Ojibway-indianen in de Canadese prairieprovincie Manitoba. Foto Paul A. Souders/CORBIS 11 Oct 1994, Lake Manitoba Reserve, Manitoba, Canada --- Ojibwa Indians from the Lake Manitoba Reserve sit and laugh together. Earl Paul has the long hair and holds onto Pat Paul. --- Image by © Paul A. Souders/CORBIS
Earl Paul (rechts) en Pat Paul, Ojibwa indianen, zijn wat aan het dollen in het Lake Manitoba reservaat in Canada. Foto Paul A. Souders/CORBIS Ojibway-indianen in de Canadese prairieprovincie Manitoba. Foto Paul A. Souders/CORBIS 11 Oct 1994, Lake Manitoba Reserve, Manitoba, Canada --- Ojibwa Indians from the Lake Manitoba Reserve sit and laugh together. Earl Paul has the long hair and holds onto Pat Paul. --- Image by © Paul A. Souders/CORBIS Souders, Paul A.

Donald Daniels, een stamoudere van de Ojibway-indianen in de Canadese prairieprovincie Manitoba, vertelt over zijn ervaringen op een internaat voor indianenkinderen alsof het gisteren was. Van 1937 tot 1946 zat hij op de indiaanse kostschool van Portage La Prairie, één van de ongeveer 130 scholen in Canada waar indianenkinderen tot in de jaren zeventig verplicht werden ondergebracht door blanke autoriteiten, met als doel hun assimilatie in de blanke maatschappij.

„Ze wilden een blanke van me maken”, vertelt Daniels in het voormalige internaat, een statig pand buiten het indianenreservaat van Long Plain. Langzaam loopt hij door de gang van het verlaten gebouw, wijzend op klaslokalen, slaapzalen en een etensruimte. „Ze schrobden ons van top tot teen in de doucheruimte”, zegt hij, doelend op de geestelijken van de presbyteriaanse kerk die zijn school bestuurden. „Maar we werden niet wit, we bleven bruin.”

Als de donder moest Daniels Engels leren, want het spreken van inheemse talen werd op de kostscholen hard bestraft – evenals andere indianengebruiken. „Eerst wist ik niet dat je werd geslagen voor het spreken van je eigen taal”, zegt hij. „Andere kinderen vertelden dat en probeerden je Engelse woorden te leren. In de kamer hiernaast werd je geslagen, jonge kinderen met korte riemen, oudere leerlingen met lange. Je moest je mouwen opstropen en dan sloegen ze je op je onderarmen.”

Het bestaan op het internaat, verdeeld in een jongens- en een meisjeskant, was hard. Weglopers werden kaalgeschoren en door het schoolhoofd vastgebonden en geslagen. „Voor het oog van andere leerlingen, als voorbeeld.” Daniels ondernam nooit een vluchtpoging. Tien maanden per jaar verbleef hij op het instituut, alleen in de zomer mocht hij twee maanden naar zijn ouders. „We noemden het de gevangenis.”

Dat alles was verkeerd, hebben Canadese overheid en kerken inmiddels erkend. Het langdurige Canadese beleid van indiaanse internaten, aan het einde van de negentiende eeuw opgericht om de inheemse bevolking te laten opgaan in de blanke samenleving, was „een droevig hoofdstuk in de Canadese geschiedenis”, aldus minister van Indiaanse Zaken Chuck Strahl. Nu krijgt iedereen die op een indiaanse kostschool heeft gezeten en nog in leven is een schadevergoeding. Daarvoor is een fonds van 1,9 miljard Canadese dollar (1,3 miljard euro) opgezet.

Elke oud-leerling van een indiaans internaat kan aanspraak maken op 10.000 dollar voor het eerste jaar, en 3.000 voor elk jaar daarna, als compensatie voor de verwijdering van de ouders en het verlies van de indiaanse identiteit. Bovendien komt er een tweede regeling voor oud-leerlingen die lichamelijk of seksueel zijn misbruikt; vele oud-leerlingen zeggen te zijn misbruikt door de schoolbestuurders. Deze maand is een jurist benoemd om die claims, waarvoor nog eens 960 miljoen dollar is uitgetrokken, te evalueren.

Volgens het departement van Indian Residential Schools Resolution, ingesteld om de regeling uit te voeren, zijn in drie maanden al 82.000 claims ingediend, iets meer dan het geraamde totaal. Ruim 44.000 claims zijn in behandeling; cheques die worden uitgeschreven hebben een gemiddelde waarde van 20.000 dollar. Meer dan 1.800 oud-leerlingen hebben zich gemeld voor vergoedingen wegens misbruik.

Phil Fontaine, voorzitter van de belangrijkste Canadese indianenorganisatie, de Assembly of First Nations, noemt de regeling „een gebaar van eerherstel” aan de indianenbevolking. „De kostscholen plaatsten een zware last op onze mensen”, aldus Fontaine, die zelf eind jaren veertig op een school in Fort Alexander seksueel werd misbruikt. „Ze gaven ons een gevoel van minderwaardigheid en van schaamte voor wie we zijn.”

Critici betwijfelen of het geld goed besteed is. Zouden de miljarden niet beter kunnen worden geïnvesteerd in sociale uitgaven om het leven van indianenvolken te verbeteren? En leidt de plotselinge financiële injectie niet tot problemen als alcoholisme en drugsgebruik? Die bedenkingen hebben „een ondertoon van racisme”, meent Fontaine. „Het geld is van de overlevenden. Wat ze ermee willen doen is hun zaak.”

Ook Dennis Meeches, hoofd van Long Plain, vindt de kritiek paternalistisch. Een financiële compensatie is juist, meent hij, mede omdat veel indianen in armoede leven. „De Canadese regering en de kerken waren verantwoordelijk voor een beleid om ons met brute maatregelen te assimileren”, aldus Meeches, die van de oude kostschool in Portage La Prairie een museum wil maken. „Ze hebben ons gevormd tot wat we nu zijn – een bevolkingsgroep op de onderste trede van de sociale ladder. Het was heel schadelijk jonge kinderen bij hun gezin weg te halen.”

Juist die ontworteling zit oud-leerlingen van internaten veelal dwars. Barb Esau, een inwoonster van Long Plain die van 1962 tot 1968 op een katholieke kostschool zat, vindt dat haar indiaanse familieachtergrond haar is afgenomen. Ze komt uit een gezin van acht meisjes en drie jongens; de oudste drie gingen naar een indiaans internaat in de laatste jaren van het kostscholenbeleid. „Mijn jongere broers en zussen zijn thuis opgegroeid, met een gezinsleven”, zegt ze. „Pas toen ik ouder werd en terugkeek, realiseerde ik me hoeveel van mijn jeugd verloren is gegaan in het kostscholensysteem.”

De blanke maatschappij is individualistisch, meent Esau, terwijl in indiaanse culturen een grotere nadruk ligt op zorg voor elkaar. Ze voelt zich een buitenstaander van haar eigen familie, bij wie ze als kind maar twee maanden per jaar doorbracht. „Ik hoor er niet echt bij, behalve bij degenen die op kostschool hebben gezeten.” Esau heeft therapie ondergaan om haar trauma’s te verwerken. Nu heeft ze een claim van 21.000 dollar ingediend. Ze wil een deel van het geld aan haar dochter schenken, en investeren in haar eigen bedrijf, een plaatselijk restaurant. „Ik wil zo graag die cheque in mijn handen hebben, de genoegdoening met eigen ogen voor me zien. Elke dag ren ik naar de brievenbus.”

Donald Daniels heeft een voorschot ontvangen van 8.000 dollar, zegt hij. Tevens heeft hij een claim ingediend voor het lichamelijke geweld dat hij heeft ondergaan. De oud-leerling, die zijn traumatische herinneringen af en toe mengt met trotse details als het hoge cijfer dat hij haalde voor algebra, is laconiek. „Het maakt niet uit hoeveel je krijgt, je geneest nooit helemaal. Wat ze ons hebben aangedaan was niet menselijk. Ze hebben iets van ons afgenomen, onze geest gebroken. Geld kan dat niet goedmaken, alleen de Schepper kan ons genezen.”