Venetië

Bij ieder bezoek aan het toilet in mijn hotelkamer in Venetië rook ik de afgelopen dagen geparfumeerd water. Zou de heiligverklaring zo ver gaan dat de werksters met hun lichtblauwe schorten bij iedere schoonmaakbeurt een scheutje wijwater aan het riool toevertrouwden?

Opdat de oude stad in godsnaam het komend jaar niet verder wegzakte in het zilte water.

Vrijdagavond zocht ik – kruip door, sluip door – mijn weg in een zijstraat van een zijstraat, op zoek naar een geschikte plek om te eten. Onder een bordje met de naam Il Diavolo e L’Acqua Santa (De Duivel en het Heilige Water) zag ik een groepje mensen op straat een sigaret roken. O ja, ook Italië was gezond geworden.

Binnen kreeg ik een tafeltje toegewezen in de vierkante, donkere eetruimte. Aan de vale muur tegenover me hingen oude sportfoto’s. Op een plaat, duidelijk met flash gemaakt, stond een bokser in een lange jas, zijn handschoenen nog aan. Hij glunderde in de lens terwijl een andere man in wit kostuum pontificaal naast hem stond.

Het waren Alberto Sordi (onderschrift: Il piu grande) en Bruno Scarabellin (pesi massimi, zwaargewicht). Met een datum erbij: 29 augustus 1959.

Links van de twee glunderende pugilisten – zeer geschikte betiteling voor deze twee sportheren – hing een foto van een wielrenner in het hooggebergte. Achter hem slingerde een wit geitenpad het dal in, half achter zijn rug verscholen reden twee ouderwetse wagens mee. Ik hoefde niet op te staan om te bekijken wie het was. Coppi. Wie anders reed met dat smalle hoofd en zwarte haar alleen op kop? Hij koerste in een licht wielershirt, op een zwart-witfoto kan dat heel goed de gele trui zijn.

Het was lekker eten zo, met die grote jongens van de sport, kijkend op mijn pasta. Bij elke hap gluurde ik weer even naar de muur. Talloze gondeliers figureerden op uitgeknipte krantenfoto’s, genomen na de traditionele regatta die jaarlijks op het water van de Canal Grande wordt gehouden. Venetiaanse koppen op forse schouderpartijen.

De foto’s hingen er al jaren. Natuurlijk. Waarom zou je ze weghalen als Madonna en Padre Pio ook voor eeuwig op verering in de stad konden rekenen. Ik dronk nog een paar glazen wijn en liep weer naar buiten. Kwam het door de alcohol of stond er nu werkelijk op iedere straathoek een Mariabeeldje met kaars achter verweerd glas?

Verering is een sierlijke vorm van tijdverdrijf, een heilige sudoku.

In mijn hotelkamer aangekomen, rook ik het wijwater alweer. Het is als met knoflook, als je er eenmaal mee in aanraking bent geweest, kom je niet makkelijk meer van de geur af.

Op bed vouwde ik de roze Gazzetta open. De krant had een speciale aanbieding voor lezers op de middenpagina: een dvd met het beste van 30 jaar voetbal uit de Serie A. In de advertentie stond Marco van Basten op een fotootje in het shirt van AC Milan. In het onderschrift las ik louter superlatieven.

In eigen land verketterd als bondscoach, in zijn tweede vaderland voor eeuwig een groot sporter. Een lang weekend in een Italiaanse stad is Van Basten zeer aan te bevelen. Hij komt bewierookt terug.

Wierook is ook zo’n geur die blijft hangen. Sommige mensen kunnen er hun tranen niet bij in bedwang houden. En misschien is dat ook precies de bedoeling.