Kijk wat er gebeurt als je de chef niet als eerste groet

Nederlanders vinden fatsoen een belangrijke waarde om goed met elkaar te kunnen samenleven. Maar ze bedoelen vooral het fatsoen van de ander.

Dubbelgeparkeerde auto in de Cornelis Schuytstraat in Amsterdam Foto NRC Handelsblad, Maurice Boyer Dubbelgeparkeerde auto in de Cornelis Schuijtstraat in Amsterdam/Oud-Zuid Foto NRC H'Blad Maurice Boyer 071229 Boyer, Maurice

Een blauwe baseballpet, een nylon jas met bontkraag, een blikje Red Bull in zijn ene hand, een joint in de andere. Dat is Sonic, 21 jaar, geboren in Kabul, nu Nederlander. Hij heet niet echt Sonic, zo noemt hij zichzelf zolang hij een leven leidt van roken, drinken, uitgaan en ’s morgens om negen uur met zijn vrienden rondhangen bij de Boterham Express op Hoog Catharijne in Utrecht in plaats van naar school te gaan.

Luister naar wat hij te zeggen heeft over fatsoen, het onderwerp van dit verhaal – omdat de regering het er dit jaar weer veel over gehad heeft en daar in 2008 zeker mee zal doorgaan. En het maandblad Filosofie Magazine heeft net in een onderzoek vastgesteld dat fatsoen (en veiligheid) voor ongeveer iedereen de belangrijkste waarde is om goed met elkaar te kunnen samenleven.

Sonic: „Fatsoen is wat je vader en moeder je geleerd hebben over wat je wel en niet hoort te doen, en wat je moet weten als je achttien bent. En als je het niet weet, heb je een groot probleem.” De jongens om hem heen knikken en duwen tegen zijn schouders. Een van hen spuugt op de grond en zegt: „Zo is het.”

Sonic vindt dat het met zijn eigen fatsoen wel goed zit, al snapt hij dat mensen zich door zijn gespijbel en geblow gemakkelijk in hem zouden kunnen vergissen. Maar kijk wat hij met zijn lege Red Bull-blikje doet. In de prullenbak, niet op de grond. In januari wil hij weer naar school en hij heeft laatst een stomdronken vriend mee naar huis genomen om hem zijn roes te laten uitslapen. „Ik had ook fuck you kunnen zeggen.”

„Dat is meer dan fatsoen”, zegt de jongen die net op de grond spoog en het nu nog een keer doet. „Dat is barmhartigheid.”

Nee, het fatsoen van andere mensen, dat is volgens Sonic het grote probleem van deze tijd. Vaders die hun dochters van dertien, veertien toestaan om erbij te lopen als pornosterren. Programma’s op de televisie die kinderen alles over drugs en seks vertellen. Boos: „Waarom moet dat? Waarom is er geen televisieprogramma voor kinderen over normen en waarden?”

Hij zegt het echt: een televisieprogramma over normen en waarden. Hij ziet er niet uit alsof hij een grap maakt. De jongens om hem heen duwen weer tegen hem aan en roepen dat hij gelijk heeft. Hey, Sonic, man, zo is het. Opeens draaien ze zich allemaal om en kijken ze naar een meisje dat voorbijkomt, een chickje dat ze kennen van school. Ze sissen naar haar. Ze lacht even en loopt snel door, naar het station.

Dan komt er een jongen voorbij die ze ook kennen van school – het ROC in Utrecht. Ze roepen dat hij bij hen moet komen, ze willen weten hoe hij over fatsoen denkt. Rachid heet hij, geboren in Sri Lanka, nu Nederlander, 22 jaar. Hij heeft een korte, zwarte baard en in zijn oorlellen zitten grote, glinsterende knoppen.

Eerst drukt hij de knokkels van zijn vuist tegen die van Sonic en dan begint hij te praten, armen over elkaar, wijdbeens. „Fatsoen is ver te zoeken tegenwoordig en dat is niet het probleem van één groep of zo. Het zit in deze hele generatie en het wordt steeds erger.”

Hij kijkt tevreden om zich heen. De rolluiken van de patatkraam van Bram Ladage, naast de Boterham Expres, gaan ratelend omhoog. Verderop worden oliebollen verkocht, en poffertjes, wafels, ijs, milkshakes, kroketten, pizza’s. Over een uurtje lopen hier overal mensen te eten.

Maar over dat soort onfatsoen praat Rachid niet. Hij heeft het ook over die meisjes van dertien die te korte rokjes dragen en zich in het weekend bewusteloos drinken. Als zijn dochter – ze is net negen maanden – dat later gaat doen, reken maar dat ze dan klappen van hem krijgt. Hij zal haar opvoeden, hij wil er zelf aan bijdragen dat de volgende generatie niet nog losser wordt.

Gedraagt Rachid zich wel eens onfatsoenlijk?

Hij denkt even na. „Alleen als mensen onfatsoenlijk tegen mij zijn. Als ik merk dat ze verbaasd zijn dat ik goed Nederlands spreek, dat ik moeilijke woorden gebruik.”

Hij werkt bij Eneco Energie, hij komt veel bij mensen thuis. Dus je denkt: vandaar. Maar nee hoor. Want vraag je hem of hij het vaak meemaakt, dat mensen zich verbazen over zijn taalgebruik, dan maakt hij zich nog wat breder, kijkt naar de jongens om hem heen en zegt: „Dat durven ze niet bij mij.”

Rachid en Sonic doen het er niet om, maar wat zij over fatsoen zeggen past helemaal bij wat er in het Filosofie Magazine stond en ook bij de conclusies uit McKinsey’s ‘21-minuten’-onderzoek, afgelopen najaar. Iedereen vindt zichzelf fatsoenlijk, ándere mensen gedragen zich onfatsoenlijk, in het verkeer, op straat, in winkels, in de wachtkamer van de dokter. En daar moet de overheid wat aan doen.

De filosoof en schrijver Ger Groot schreef daarna in NRC Handelsblad dat dit een ‘fundamenteel wantrouwen van de samenleving in zichzelf verraadde’. Bitter, vond hij. Al relativeerde hij het wel: in de Ilias van Homerus klaagde de oude Nestor ook al over jonge mannen die niet meer weten wat eer en roem werkelijk betekenen.

Maar toch: Groot werd er niet vrolijk van dat mensen zich als consumenten opstellen, als klanten die vinden dat fatsoen iets is dat voor hen geregeld moet worden.

Luister nu naar wat Stephan Brekelmans over fatsoen te zeggen heeft, als hij aan het eind van de ochtend van banketbakkerij Avezaath-Beune naar zijn Batavus-boodschappenfiets loopt – in het kratje voorop zit zijn ruwharige teckel. Brekelmans wordt vandaag 48 en hij gaat zijn collega’s van het impresariaat waar hij werkt op taartjes trakteren.

We zijn in de Cornelis Schuytstraat in Amsterdam-Zuid, waar onfatsoen de vorm aanneemt van dubbelgeparkeerde SUV’s, van mensen die bij de slager al telefonerend hun kilootje ossenhaas bestellen.

Brekelmans wijst naar het groene plastic nepbot dat met een touwtje om zijn hals hangt, over zijn kaki regenjas. Er zitten zakjes in voor de poep van zijn hondje. „Menig dame hier in Zuid laat haar labrador op de stoep eh...” Hij spreekt het woord niet uit. „Dat vind ik onfatsoenlijk. En wat ik ook onfatsoenlijk vind: het hele Wilders-gebeuren, het toenemende gebrek aan openheid, aan onbevooroordeeldheid in deze samenleving, de sluipende invloed die het op ons heeft. Dat ik bij mezelf merk dat ik de metro niet meer zo vaak neem.”

Hij heeft net naar de film Der Untergang gekeken, over de laatste dagen van Hitler, april 1945. Hij realiseerde zich weer eens hoe vredig en gelukkig we nu leven, hoe gemakkelijk dat allemaal verdwijnen kan.

Vraag hem dan naar zijn eigen onfatsoen en hij doet wat iedereen vandaag doet die je er zo maar op straat naar vraagt. Hij begint aan een volzin over iets dat hij niet zo netjes vindt van zichzelf – ongeduldig toeteren als hij achter het stuur van zijn auto zit – maar halverwege gaat het al over iets ontzettend stoms van andere mensen. „Moeders die met hun kinderen in de bakfiets door rood licht rijden. Dat vind ik ongelooflijk. Dat doe je toch niet? Ik zeg er wat van hoor, als ik het zie.”

En dan?

„Kijken ze je schaapachtig aan.”

En dat toeteren van hem?

„Ja, ik ben wel een beetje hypocriet.”

De evolutiebioloog en schrijver Tijs Goldschmidt vertelt dat hij graag proefjes doet als hij op een smalle stoep loopt en er komt hem iemand tegemoet. Wie doet een stap opzij? „Als jij het niet doet, heb je zo maar een conflict. Tenminste, als het een man is.”

Ook een leuke: iemand die zich hoger geplaatst voelt dan jij opzettelijk niet als eerste groeten. „Diegene zal zich er misschien niet van bewust zijn, maar hij of zij zal het hoofd afwenden en jou negeren. En jij voelt je op je plaats gezet.” Zo gaat het bij alle sociale zoogdieren die intelligent genoeg zijn om een zeker empathisch vermogen te hebben, zegt Goldschmidt. „De hoogste man bij chimpansees groet niemand als eerste, nooit.”

Die man mag ook met alle vrouwen seks hebben. Wat een lager geplaatste man echt niet hoeft te proberen. Hij krijgt keihard op zijn kop.

Goldschmidt ziet fatsoensregels als de alledaagse versie van de fundamentele regels die nuttig zijn voor het voortbestaan van de groep. En dan gaat het niet om vork links en mes rechts, of andersom. Het gaat om alles wat te maken heeft met wederkerigheid, om wederzijds altruïsme. Jij vertrouwt mij, ik vertrouw jou. Ik doe iets voor jou en jij doet iets voor mij – ook al is het jaren later.

Hem verbaast het niet dat mensen zich wild ergeren als zij bijvoorbeeld iets voor iemand doen en die spreekt daarna kwaad van hen. Als zij op hun fiets zo rechts mogelijk rijden en een passerende automobilist hen dwingt om de stoep op te gaan. Als zij op hun beurt wachten en een ander voordringt in de file. „Dat zit dus heel diep.”

Het verbaast hem ook niet dat vooral het onfatsoen van de ander onthouden wordt. „Negatieve ervaringen roepen meer emotie op en daardoor worden ze beter opgeslagen.”

Zijn er te veel free riders, mensen die alleen nemen en niets geven, dan wordt het een jungle, zegt Goldschmidt. „Daarom moeten ze worden afgestraft. Anders gaat iedereen zich als zo gedragen.”

Zijn jongens die spijbelen en blowen en naar meisjes sissen free riders?

Hij haalt zijn schouders op en zegt: „Als je zonder te oordelen kijkt, dan zie je jongens die aan het onderzoeken zijn wat wel en niet mag, en wat hun plaats is in de hiërarchie van de groep. Jonge chimpansees doen het ook. Het is spel. Maar het moet dus wel worden gecorrigeerd, anders leren ze niks.”

Er zijn maar weinig vrouwen die op deze dag – de vrijdag voor Kerst – de tijd willen nemen om wat over fatsoen te zeggen. Ze zijn te druk met de boodschappen, de kinderen. Alleen Friederike Henke wil er wel even voor van haar fiets stappen, in de Cornelis Schuytstraat. Ze is advocaat, 27 jaar. Ze woont, zegt ze, in Bos en Lommer en daarvoor in Slotervaart.

Dus?

„Dus niks”, zegt ze. „Ik erger me alleen aan de stapels vuilniszakken op straat.”

Gedraagt ze zich zelf wel eens onfatsoenlijk?

„Toen ik studeerde wel. Wildplassen, dat soort dingen.” Ze lacht. „Maar nu gedraag ik me denk ik netjes. Door het werkende leven, hè.”