Italië gaat kust Libië bewaken

Italië gaat met toestem-ming van Tripoli pal voor de Libische kust patrouil-leren tegen illegale immi-granten. Daarover hebben beide landen dit weekeinde een akkoord bereikt.

Het is een nieuwe trend in de strijd tegen illegale immigratie: Zuid-Europese landen die het gevecht naar Afrika verplaatsen. Na Spanje, vorig jaar, heeft buurland Italië op de valreep van 2007 zijn grenzen effectief verlegd naar het zuiden.

Italië sloot zaterdag met Libië een akkoord over gezamenlijke zeepatrouilles voor de Libische kust. Rome, dat in het verleden al geld overmaakte naar Tripoli voor de bouw van detentiecentra voor illegalen, stelt zes patrouilleboten beschikbaar.

Aan de Libische kust zijn het afgelopen jaar al bijna twintigduizend migranten in bootjes gestapt met als reisdoel Europa. De bemanning van de patrouilleboten zal bestaan uit leden van de Italiaanse én Libische kustwachten. Het is nog niet bekend wanneer de grenscontroles van start gaan.

De achterliggende gedachte is de volgende: illegale migranten die in Europese wateren worden ontdekt, mogen niet op zee worden teruggestuurd. Zij hebben recht op toegang tot ingewikkelde toelatingsprocedures. Die eindigen er vaak mee dat ze in de illegaliteit verdwijnen. Patrouilles in de eigen wateren zijn dus van beperkt nut in de strijd tegen illegale immigratie in Europa.

Zo bezien is het effectiever om illegale migranten te onderscheppen in de territoriale wateren van het land waar zij in hun bootje stappen. In dat geval mogen zij direct worden teruggestuurd. Voorwaarde is dan wel dat de betreffende – in de regel Afrikaanse – vertreklanden toestemming geven voor zulke Europese patrouilles. Zij geven immers de facto een deel van hun soevereiniteit op.

Afrikaanse landen stemmen in met de aanwezigheid van buitenlandse boten voor hun kusten, omdat zij illegale (e)migratie eveneens als problematisch ervaren. Een land dat bekendstaat als veilige migratieroute trekt mensensmokkelaars aan en raakt talent van eigen bodem kwijt. Zo’n land lijdt reputatieschade.

Het is niet bekend of Italië een financiële, of andersoortige, vergoeding overmaakt aan Libië. Spanje betaalde miljoenen euro’s aan Senegal en Mauretanië voordat het actief werd in de wateren van deze West-Afrikaanse landen.

Patrouilles in andermans wateren zijn effectief, afgaande op de Spaanse ervaringen. Sinds Spanje vorig jaar is gaan patrouilleren bij Senegal en Mauretanië, is de migratiestroom naar de Canarische Eilanden meer dan gehalveerd.

Italië kende in de jaren negentig al een vergelijkbare samenwerking met Albanië om vluchtelingen uit voormalig Joegoslavië te weren. Ook toen werkte de maatregel en daalde de toestroom.

Critici – ngo’s, asielrechtexperts – stellen dat de ‘grensverschuiving’ door Spanje en Italië risico’s met zich meebrengt. Het argument van de betrokken overheden – ‘migranten die niet aan de boottocht kunnen beginnen, kunnen ook niet verdrinken’ – snijdt volgens hen geen hout. Migranten zullen altijd proberen Europa te bereiken, zeggen zij; de verschuiving van ‘Fort Europa’ naar Afrika leidt er slechts toe dat migranten gedwongen worden zich over te leveren aan mensensmokkelaars die langere en riskantere zeeroutes voor hen uitstippelen.

Een aparte risicogroep bestaat uit politieke vluchtelingen. De route van Libië naar Italië wordt, behalve door Afrikanen, gebruikt door migranten die het geweld in Irak en Somalië ontvluchtten.

Een vluchteling die in de hoedanigheid van illegale migrant wordt teruggestuurd, kan gevaar lopen. Niet alleen omdat hij illegaal is, maar ook omdat het land waar hij aan wal wordt gezet hem kan uitzetten naar zijn land van herkomst, dat hij juist is ontvlucht omdat zijn leven er gevaar liep.

Zo haalde Libië zich in 2004 de woede van de internationale gemeenschap op de hals door een groep Eritreeërs terug te sturen naar Eritrea. Van hen is sindsdien niets meer vernomen. Ze waren eerst door een Europees land, dat ze hadden weten te bereiken, uitgezet naar Libië. Dat Europese land was Italië.