Is er nog hoop in Pakistan na de dood van Bhutto?

Zuid-Aziaten houden van hun martelaars: het heeft iets diepromantisch.

Misschien dat uit de dood van Benazir Bhutto toch iets positiefs kan voortkomen.

Na haar dood zal Benazir Bhutto misschien weten te bereiken wat haar in de laatste jaren van haar leven steeds ontglipte. Omdat ze werd geplaagd door geruchten over corruptie, beschuldigd van een schimmenspel en stiekeme akkoordjes met president Musharraf, weggehoond als de keuze van Washington voor een dictator met een knap gezicht, werden eerdere moordaanslagen op haar door cynici zelfs als publiciteitsstunts verworpen. Maar nu ze dood is, laat Bhutto de wereld zien dat democratie in haar deel van de wereld een zaak van leven en dood kan zijn. Bij leven was ze politicus. Na haar dood is ze een martelaar geworden.

Zuid-Aziaten houden van hun martelaars. Mijn overgrootvader bracht naar verluidt een flesje mee naar huis met een beetje as van een jonge revolutionair die was opgehangen door de Britten. Khudiram had een bom naar een Britse magistraat geworpen en was met een lach naar de galg gegaan. De ironie wilde dat mijn overgrootvader voor de Britten werkte – bij de politie.

Benazir was geen 15-jarige rebel die roekeloos tegen windmolens vocht. Ze behoorde tot de Zuid-Aziatische royalty. „Benazir is vermoord. Ik ben verbijsterd”, sms’te een vriend me uit een café in Calcutta. Hoezeer we ook proberen ons anders voor te doen, zegt mijn vriend, wij hebben in onze feodale maatschappijen een royalistisch trekje. En als iemand van koninklijken bloede in een kogelregen het leven laat, lopen ons collectief de rillingen over onze rug.

Het is misschien macaber, maar deze offergedachte is iets wat ons opwindt. Ze is diepromantisch. Elk geschiedenisboek dat we hebben gelezen, draaide geheel om het roemrijke offer. Ontroerende verhalen over jonge mannen en vrouwen die dapper hun dood tegemoet gingen – soms als rebelse verzetsdaad die weinig echte politieke invloed had – werden vereeuwigd in ontelbare prulfilms en patriottische liederen.

De Raj, het bestuur van weleer, is er niet meer. De vijand is nu moeilijker te identificeren – hij draagt geen tropenhelm en komt niet uit Londen. Toch blijft het offer een grote aantrekkingskracht uitoefenen. Politiek is een smeerboel, wordt ons doorlopend voorgehouden, maar met behulp van moord en executie kunnen bezoedelde politici een „extreme make-over” ondergaan, waarmee ze niet alleen zichzelf maar ook het proces als zodanig redden. Een echte politieke dynastie, zo lijken de Zuid-Aziaten te geloven, meet haar waarde in bloed. De avond voordat ze werd vermoord, zei Indira Gandhi: „Ik vind het niet erg om mijn leven te laten in dienst van mijn volk. Als ik vandaag sterf, zal elke druppel van mijn bloed mijn volk sterker maken.”

Dit was de „make-over” van Benazir Bhutto, zoals ook tal van haar voorgangers op het subcontinent hebben ondergaan: Rajiv Gandhi en Indira Gandhi in India, Solomon Bandaranaike in Sri Lanka, Mujibur Rahman en Ziaur Rahman in Bangladesh, en haar eigen vader Zulfikar Ali Bhutto.

De dood van Benazir doet het meest denken aan de moord op Rajiv Gandhi. Als kind van een premier, door hun afkomst tot het politieke ambt geroepen, waren beiden de grote democratische hoop van hun land geweest. Beiden vielen in ongenade, geplaagd door schandaal en corruptie, maar probeerden opnieuw aan de macht te komen. Beiden overleden als het ware door een beroepsongeval, op een campagnebijeenkomst, bij een zelfmoordaanslag. Rajiv Gandhi, die volgens velen de enorme sympathie na de moord op zijn moeder Indira had vergooid, wist met zijn dood zijn partij nieuw leven in te blazen. De Congrespartij kon zo weer aan de macht komen.

In Pakistan zou de dood van Benazir de katalysator kunnen worden voor een massale betrokkenheid bij het politieke proces. Maar het zou ook het startsein kunnen zijn voor het soort wraakzuchtige bloedbad dat volgde na de moord op Indira Gandhi.

„De Verenigde Staten veroordelen streng deze laffe daad van extremistische moordenaars die de democratie in Pakistan proberen te ondermijnen”, was het voorspelbare commentaar van president Bush. „De plegers van deze misdaad moeten voor het gerecht worden gebracht.” Bush snapt er niks van. Dit is geen aflevering van Law & Order, waarin de moordenaars gepakt en gestraft moeten worden. Daarmee zou het verhaal van Benazir Bhutto echt ten einde zijn.

Als het Washington en Islamabad ernst is met de democratie in Pakistan, dan zouden ze zich beter naar de woorden van Indira Gandhi kunnen richten: „Het martelaarschap is niet het einde van iets; het is pas het begin.”

Sandip Roy is redacteur bij het nieuwsbureau New America Media, en presentator van de radioshow ‘UpFront’.

Benazir Bhutto had ook een eigen website. Kijk op:benazirbhutto.co.uk