In campagne Democraten speelt ‘Irak’ geen rol meer

De afgelopen jaren was Irak hét binnenlandse politieke thema in de VS. Maar tijdens hun campagnes voor het presidentschap van 2008 zwijgen de kandidaten er liever over.

Vooral in zaaltjes met Republikeinse kandidaten valt het op. Irak, de afgelopen jaren hét binnenlands-politieke thema in de VS, speelt in de huidige fase van de Amerikaanse verkiezingscampagne amper nog een rol: er worden nauwelijks vragen over gesteld, en kandidaten beginnen er zelden over.

Zo ontwikkelt zich een stramien: een van de pijnlijkste vergissingen in Amerika’s recente geschiedenis is in de campagne een non-thema geworden – omdat het voor vrijwel alle kandidaten, op dit moment, nadelig is het onderwerp aan te snijden.

Bij de Republikeinse kandidaten is het nog relatief eenvoudig. Het (gekrompen) Republikeinse electoraat is nog altijd in overgrote meerderheid – de meeste peilingen komen uit boven zeventig procent – voorstander van continuering van de oorlog. Zodoende hebben alle kansrijke Republikeinse kandidaten – Giuliani, Romney, McCain, Huckabee, Thompson – zich achter de oorlog geschaard, en, begin dit jaar, de zending van extra Amerikaanse troepen naar Irak gesteund.

Alleen de libertair Ron Paul uit Texas is voorstander van terugtrekking. Maar de peilers dichten hem weinig kansen toe.

Het ingewikkelde voor de andere Republikeinen is dat zij leven in twee werelden: de eigen achterban mag de oorlog hartstochtelijk steunen, het Amerikaanse publiek heeft zijn geloof in de militaire operaties in Irak opgegeven. Ook nu het geweld in Irak de laatste maanden afneemt – door president Bush beschouwd als bewijs dat zijn nieuwe strategie werkt – neemt de scepsis van de bevolking niet af.

Daarom bouwen de kansrijke Republikeinse kandidaten tussen de regels door mogelijkheden in om zich, eenmaal in het Witte Huis, alsnog van de oorlog te ontdoen. Romney, op dit moment de kansrijkste kandidaat, zegt bij voorbeeld in bijna elke speech dat de VS „geen bezettingsmacht” mogen worden. Giuliani benadrukt dat elke strategie aantoonbare verbeteringen moet brengen. Alleen McCain steunt de huidige aanpak zonder voorbehoud: hij is de enige Republikein die Irak in de zaaltjes uit eigen beweging aansnijdt.

De Democratische kandidaten negeren Irak niet volledig. Het is altijd goed de eigen kiezers, die massaal tegen de oorlog zijn, eraan te herinneren dat Bush de oorlog is begonnen. Maar Irak is niet langer alleen een politieke ‘winner’ voor de Democraten, zoals vorig jaar bij de Congresverkiezingen.

De koplopers Clinton en Obama – beide lid van de Senaat – waren het afgelopen jaar medeverantwoordelijk voor de mislukte pogingen van het in meerderheid Democratische Congres om de troepen versneld terug te trekken. Intussen werpt de strategie van Bush – extra troepenzendingen vanaf begin dit jaar – ook volgens gezaghebbende Democraten haar eerste vruchten af.

Clinton en Obama zitten daardoor klem. Ze kregen niet voor elkaar wat ze wilden, en wat ze niet wilden blijkt in de beleving van Washington te werken: dan wordt het interessant het onderwerp even te laten rusten.

Verder speelt een rol dat de koplopers, net als trouwens nummer drie John Edwards, eerder hebben erkend dat zij weliswaar de gevechtshandelingen met Iraakse opstandelingen zouden stopzetten, maar dat dit in geen geval zal leiden tot de terugtrekking van álle Amerikaanse troepen de komende vier jaar. Zo wil Clinton troepen in Irak houden voor eventuele operaties tegen terroristen, en wil Obama dat Amerikaanse soldaten de opleiding van Irakezen voor hun rekening blijven nemen: ook al geen populaire standpunten bij de bevolking.

Clinton heeft bovendien de handicap dat zij Bush’ oorlog vanaf 2002 tot medio vorig jaar volledig steunde. Obama, die zich als senator in de staat Illinois in 2002 tegen de oorlog uitsprak, maakt hier in veel van zijn speeches een punt van. Clinton verweert zich met de tegenwerping dat ze in 2003 wel degelijk een diplomatieke oplossing prefereerde. En dat kenmerkt de betekenis van Irak in de campagne: een debat over het verleden, waarbij de ongemakkelijke toekomst zoveel mogelijk wordt gemeden. Door beide partijen.