‘Ik kan iedereen recht in de ogen kijken’

Theo de Rooij nam Michael Rasmussen uit de Tour en stapte op als directeur van Rabobank Wielerploegen. Hij blikt terug, en schetst de extreme situatie waarin híj moest beslissen.

Op het station van Brive-la-Gaillarde, in het hart van snikheet Frankrijk, staat op vrijdagochtend 27 juli een gebroken man. Theo de Rooij, directeur van de Rabobank Wielerploegen, is vanuit de Tour de France door de bazen van zijn sponsor naar Parijs gedirigeerd voor een gesprek. Treinreis van vijf uur, één overstap. En weer die niet te stoppen gedachten aan de dagen ervoor.

Woensdagavond had De Rooij (50) geletruidrager Michael Rasmussen uit de Tour gezet, nadat onomstotelijk was bewezen dat de Deense Rabokopman had gelogen toen hij beweerde in juni in Mexico te zijn geweest. Wie kan zich de hectiek van die avond voorstellen? Topoverleg met sponsor en Tourdirectie. De beslissing om de eigen klassementsleider uit de wedstrijd te nemen, voor het eerst in de geschiedenis van de Tour. Knallende ruzie met boze renners en ploegleiding. En Rasmussen die snel weg moest van het strijdtoneel, vóór dat de media arriveerden. „Wat denk je dat anders voor imagoschade was ontstaan voor de bank”, vraagt De Rooij retorisch. „Het heeft maar een paar minuten gescheeld of er had zich een ramp voltrokken. Het voortbestaan van de ploeg stond op het spel!”

Die nacht was De Rooij pas om half drie teruggekeerd op zijn hotelkamer in Pau. „Het ging toen niet echt goed met mij”, zegt hij achteraf met gevoel voor understatement. „Ik lees de afgelopen weken hoe Rasmussen zich die avond voelde, zijn gedachten aan zelfmoord. Vreselijk. Als iemand zich kan indenken hoe hij zich die avond voelde, dan ben ik het. Ik ga niemand achteraf beschuldigen of verwijten maken. Feit is wel: in die dagen heb ik veel alleen gestaan. Het was heel moeilijk. Mensen staan wel achter je. Maar als anderen met scherp gaan schieten, blijven ze ook áchter je staan.”

Op het station in Brive weetDe Rooij al dat de affaire-Rasmussen hem waarschijnlijk zijn baan zal kosten. Maar daarover maakt hij zich nog het minst druk. Heeft hij het wel goed gedaan? Wat zullen de gevolgen zijn voor de ploeg, voor 120 werknemers en hun gezinnen? Dan gaat zijn mobiele telefoon. Jacob Bergsma, manager communicatie van de wielerploeg, meldt zich. „ZDF bericht zojuist dat Rasmussen wél in Mexico is geweest.” Het perron zinkt weg onder zijn voeten. „Ik zei: ‘Jacob alsjeblieft, bel me niet meer met dit soort dingen. Ik kan het geestelijk niet meer aan!’ Er ging de rest van die treinreis van alles door mijn hoofd. De wereld begon met de minuut zwaarder te wegen. Het zou de dagen daarna mijn ergste nachtmerrie blijven: dat Rasmussen toch in Mexico was geweest.”

Hoe rijmt dit allemaal met het hoofdredactioneel commentaar van het tijdschrift Sportweek, begin december? ‘De Rooij stortte de topsporter, die net zijn mooiste prestatie ooit had neergezet, in een afgrijselijke, emotionele afgrond. Vervolgens liet hij Rasmussen naar een donker, afgelegen hotel brengen om hem daar moederziel alleen achter te laten.’ De Rooij als genadeloze beul? Eerder verweten sommige media de begin augustus zelf opgestapte Rabo-directeur een al te opportunistisch streven naar Toursucces. Of gebrekkige communicatie, of een te solistisch optreden. Hij zou een representant zijn van het ‘oude besmette wielrennen’, waarmee het ‘nieuwe schone wielrennen’ in rap tempo afrekent.

Op De Rooij is het makkelijk schieten, want hij schiet niet terug. In opdracht van Rabobank deed oud-politiecommissaris Peter Vogelzang onderzoek naar de affaire. Naast ‘hoofdschuldige’ Rasmussen kreeg ook de leiding van de enige Nederlandse ProTourploeg, De Rooij en ploegleider Erik Breukink, stevige kritiek. De voormalige directeur verantwoordde zich één keer, in een tv-programma. Daarna bleef het stil, hoe vaak Rasmussen in interviews ook vertelde dat de ploegleiding steeds van zijn leugens op de hoogte was geweest. De Deen dreigt zijn ontslag aan te vechten in een rechtszaak. „Hij probeert nu iedereen mee te sleuren in zijn web van leugens en verdichtsels”, zegt De Rooij. „Ik voel geen behoefte om in de media een welles-nietes spelletje uit te vechten. Als het zover komt, vertel ik mijn verhaal één keer: voor de rechter.”

Toch wil hij zeker niet weglopen voor zijn verantwoordelijkheid in de meest besproken sportaffaire van 2007. „Ik geef niet toe dat ik een fout heb gemaakt”, preciseert hij. „Ik geef wél toe dat ik het, met de kennis van achteraf, anders had moeten inschatten.” De Rooij onderschrijft daarmee een belangrijke conclusie van het rapport-Vogelzang, waarin staat dat het fout was Rasmussen te laten starten in de Tour. Hij mist in het rapport echter oog voor de extreme chaos waarin de wielerwereld verkeerde voor en tijdens de Tour, de periode waarin hij zijn beslissingen moest nemen. Over die chaos wil hij nu één keer wél praten.

„Je kunt de hele zaak-Rasmussen niet los zien van alles wat eraan vooraf gaat. In zo’n verwarrende situatie – waarin geen sprake is van duidelijke regelgeving en handhaving, waarin partijen lijnrecht tegenover elkaar staan, waarin iedereen probeert partijen tegen elkaar uit te spelen en waarin er geen controle is van bovenaf – kun je dit soort excessen verwachten. Zelfs in 2006 was deze affaire waarschijnlijk niet zo geëxplodeerd als nu.”

Volgens De Rooij, die eind 2003 Jan Raas opvolgde als directeur, ligt de kiem van veel problemen jaren terug. „Toen zat ik in de teambussen wel eens over de toekomst van het wielrennen te filosoferen met Manolo Saiz.” De toenmalige ploegleider van Once, sinds mei 2006 geschorst wegens betrokkenheid bij het Spaanse bloeddopeschandaal Operación Puerto, stapte met een plan naar Hein Verbruggen, destijds voorzitter van de internationale wielerunie UCI. Het leidde in 2005 tot de ProTour, een competitie van de beste renners in de belangrijkste wedstrijden.

Er was één probleem: ASO, organisator van de Tour de France en een aantal andere koersen, wilde zelf bepalen wie aan hun wedstrijden mocht meedoen. „Daar ligt de bron van het grote conflict in het wielrennen”, zegt De Rooij. „Door de jaren heen zijn de partijen lijnrecht tegenover elkaar komen te staan.” Vlak voor Parijs-Nice van dit jaar dreigde escalatie, toen ASO weigerde om Unibet te laten meedoen. De UCI kon deelname niet afdwingen. „Dat betekende formeel het einde van de ProTour. Het wantrouwen tussen UCI en ASO is zo groot. Ik zat bij veel van die gesprekken, heb er veel energie in gestoken. Maar het ging niet.”

Intussen richtte De Rooij samen met een aantal andere ProTour-managers de IPCT op, de vereniging van ProTourteams. „Met het achteraf misschien naïeve idee om samen business te genereren. Maar bij de eerste vergadering, in september 2006, wilden de Franse teams eerst de onoplosbare problemen oplossen.” Onoplosbaar bleek vooral het dopingprobleem. In 2006 werden Jan Ullrich (T-Mobile) en Ivan Basso (CSC) door hun eigen teams uitgesloten van Tourdeelname wegens betrokkenheid bij Operación Puerto. Nadat Tourwinnaar Floyd Landis ook al op dopegebruik werd betrapt, kozen vooral de Franse en Duitse teams zeker verbaal voor een keiharde aanpak van de ‘zondaars’.

De Rooij bekeek de nieuwlichters kritisch. „Volgens de fameuze ethische code van de ProTour zouden we geen renners aannemen die betrokken waren bij Puerto. Maar dan contracteert Discovery toch Basso. Daaroverheen ontstond een moddergevecht tussen T-Mobile en Caisse d’Epargne. De Duitsers waren na de Tour van 2006 ook de nieuwe weg ingeslagen, van het ‘christelijke wielrennen’. Drie Weesgegroetjes voor elke maaltijd. Maar intussen probeerden ze wel Piti Valv (codenaam van de Spaanse toprenner Alejandro Valverde in het Puerto-dossier, red.) te halen, voor veel geld. Dat waren twee schendingen van de ethische code: hij was mogelijk betrokken bij Puerto én had een doorlopend contract.”

Er werd vertrouwelijk gestemd over de vraag of Discovery Basso mocht aannemen. „De uitslag was acht vóór Discovery en zeven tegen”, zegt De Rooij. „Dat was tegen het zere been van de Fransen. Vijf minuten later lag de stemming op straat. En de volgende dag begon de discussie weer van voor af aan. Ik stemde voor, met als motivatie dat je dit soort problemen niet oplost met een ethische code. Je kunt geen rechter spelen over collega’s, dat kun je van mensen niet verwachten. Maar als het spannend wordt, verwijst de UCI steeds naar de ethische code. Er is geen regering in het wielrennen die zegt: zo gaan we het doen.”

Zie de verplichting voor renners om hun DNA af te staan. „Dat kwam in januari in de vernieuwde ethische code te staan. In onze ploeg hebben vijf renners niet getekend. Dat leverde mij verwijten op van collega’s: ‘jij hebt de code niet gerespecteerd.’ Ik zette het wel in nieuwe contracten, dan kon een renner zelf kiezen of hij het accepteerde. Maar je kunt dit soort dingen toch niet zomaar opleggen als er een doorlopend contract is? Dat is juridisch onmogelijk. Sommige collega’s zetten hun renners een pistool op het hoofd, ik weigerde dat.”

En zie het ‘100 procent antidopingplan’ waar de UCI plotseling mee kwam. Twee dagen na de perspresentatie in maart viel de rekening al bij De Rooij in de bus: 30.000 euro. „Ik heb direct betaald, maar een aantal collega’s was sceptisch. Na vragen over de financiële onderbouwing bleek het aantal out-of-competition-controles ineens van twee naar zes te kunnen, voor hetzelfde bedrag. De discussie bleef. Zie hoe ze in Frankrijk tegen onze opleidingsploeg aankijken. ‘Die rijden met doping’, roepen ze. Daar zit zoveel wantrouwen.”

Aan de vooravond van de Tour 2007 volgde een nieuw dieptepunt, toen de UCI plotseling een nieuw antidopingcharter verplicht stelde. Renners die niet tekenden, reden geen Tour. „Wat een dag”, herinnert De Rooij zich. „Om vier uur je bed uit, vliegen naar Genève, vergaderen met de ploegen, de gebruikelijke verwijten over en weer. ’s Middags ineens persconferentie van de UCI. Voorzitter Pat McQuaid met twee renners achter de tafel: Mark Cavendish en Sandy Casar. ‘Jongens hier tekenen, dan kun je toetreden tot de club van het christelijke wielrennen’. Net als veel van mijn collega’s dacht ik: wat is dit? Niemand was vooraf geïnformeerd, het was een mediashow van de UCI. ’s Avonds om elf uur kwam ik in het hotel van onze ploeg in de Ronde van Zwitserland. Kon ik het mijn renners uitleggen. Terwijl ik dacht: als ze niet tekenen, hebben ze nog gelijk ook. Maar de Tour kwam in gevaar. Dus heb ik al mijn overtuigingskracht aangewend en hebben ze getekend, onder protest.”

Machtsstrijd tussen ASO en UCI, ruziënde ploegen, falend antidopingbeleid. Vergadering op vergadering. En dan, plotseling, komt er op vrijdag 29 juni op De Rooijs kantoor in Holten eene-mail binnen: vier waarschuwingen voor Michael Rasmussen, voor het verkeerd opgeven van zijn whereabouts [waarin een renner vooraf voor een periode van drie maanden gedetailleerd moet aangeven waar hij verblijft] en het missen van dopingtests. Afzender: Anne Gripper, hoofd antidoping UCI. De Rooij: „Ik heb die brief niet serieus genoeg genomen, klaar. Als dat het enige was geweest dat die dag mijn pad kruiste, dan had ik het waarschijnlijk anders opgepakt. Maar je bent je scherpte een beetje kwijt en krijgt door alle toestanden een houding van: wat nu weer?”

Over sommige waarschuwingen bestond twijfel. Whereabouts waren tot dan toe in discussies tussen UCI en ploegen geen thema. „Nul, nooit.” Je kon je bovendien afvragen of zo’n systeem niet te ver ging. „Hoe zit het juridisch, wie bepaalt of veranderingen te goeder trouw zijn aangegeven?” De Rooij besloot te bellen met Gripper, die hem bevestigde dat niets een Tourstart van Rasmussen in de weg stond. De Deen bleef volhouden dat hij in Mexico was geweest, en startte na een boete van 10.000 euro ‘gewoon’ in de Tour. De rest is geschiedenis.

De Rooij voelt geen behoefte uitgebreid stil te staan bij de gebeurtenissen tijdens de Tour. Onder druk van de publiciteit kwam in een snelkookpan tot uiting wat zich de periode ervoor had aangekondigd. Elkaar ‘flikkende’ ploegen, de machteloosheid van de zwalkende UCI, de hypocrisie van de machtige ASO.

Over de verhouding tussen wielerploeg en sponsor Rabobank staat een cruciale passage op pagina 39 van het rapport-Vogelzang. De Rooij heeft Rasmussen in eerste instantie geschorst, de bank heeft hem op staande voet ontslagen. De voormalig directeur heeft er niets aan toe te voegen. „Ik ben mijn rekening niet aan het opmaken, heb geen behoefte om naar anderen uit te halen. Ik ben verantwoordelijk voor wat ik heb gedaan, ik wil hier alleen de omgeving schetsen waarin ik dat heb gedaan.”

Waarbij één ding steekt. „Ik ben na de affaire-Rasmussen weggezet als exponent van het oude wielrennen.” Plotseling stuitte zijn genuanceerde visie op verwijten van de zelfverklaarde voorvechters van de schone sport. Als enige in het peloton belde De Rooij met zijn in opspraak geraakte leermeester Walter Godefroot, toen de Tour dit jaar diens woonplaats Gent aandeed. Ook dat werd hem door ‘de christelijken’ niet in dank afgenomen. „Ze gooien alles van het oude wielrennen rücksichtlos weg. Maar wie heeft hier recht van spreken? We hebben keiharde, duidelijke regels nodig. Een sterke regering die zorgt voor handhaving en sanctionering. Collega’s die fatsoenlijk met elkaar omgaan. Een code is dan verder overbodig.”

De Rooij, die na een carrière van 28 jaar graag verder wil in het profwielrennen, hoeft zich voor zijn gevoel niet met woorden te verdedigen. Kijk naar al het Rabo-talent dat de laatste jaren doorbreekt: Thomas Dekker, Kai Reus, Robert Gesink, Lars Boom. „Hoezo oude wielrennen? Ik ben weggegaan bij een ploeg met een prachtige toekomst. Mijn opvolgers kunnen nog jaren oogsten.”

Vandaar de ontroering, toen hij op 9 oktober werd uitgenodigd voor de traditionele fietsdag van het personeel van de wielerploeg, waar hij de WK-fiets van Thomas Dekker kreeg overhandigd. Mooie fiets, nog mooier symbool. „Toen ik ’s avonds thuiskwam, vroeg mijn vrouw zich af waar ik bleef. Stond ik in de garage naar die fiets te kijken.” Dat hij er een traan bij in zijn ogen had, hoeft niet in de krant. „Ik kan ze allemaal recht in de ogen kijken. De ploeg, de bank, collega-ploegleiders, UCI en ASO. En mezelf, in de spiegel.”