Herrie met Oud en Nieuw is van alle tijden

Al eeuwen vieren we in december dat de kortste dag voorbij is. Maar waar komt dat gebruik vandaan? „Het is altijd een onrustige periode geweest.”

Waren het de Germanen? Die met veel lawaai de kwade geesten het oude jaar uitdreven? Komt daar ons Oud en Nieuw-feest vandaan?

Mooi verhaal, zegt Ineke Strouken van het Nederlands Centrum voor Volkscultuur. „Maar er zijn geen bewijzen voor. Er zijn geen schriftelijke bronnen die deze lezing staven.”

Wat we wél zeker weten: feesten rond de kortste dag van het jaar is al heel oud. De Romeinen vierden in die periode al een soort winterzonnewendefeest, met veel drank, gezang, vuur en maskerades. Gevierd werd dat de kortste dag voorbij was, en het ergste deel van de winter.

De oudste bronnen van een soort Oud en Nieuw-viering in ons land komen van de christelijke kerk die zich ergerde aan deze ‘heidense’ gebruiken. De kerk probeerde ze te vervangen door christelijke feestdagen. Zo werd in de vierde eeuw na Christus het feest van de geboorte van Christus geïntroduceerd tijdens de midwinterfeesten. En werd de dood van Sint Silvester, een van de eerste pausen, in 354 op 31 december gezet. Misschien is Silvester ook wel echt overleden op die datum, en Christus geboren in de winter, zegt Strouken. Maar het kan ook zijn dat de kerk die data strategisch koos om het volk christelijke feestdagen te geven, midden in de periode dat ze toch al feestten.

Pas in 1575 bepaalde de Spaanse landvoogd Requesens dat op 1 januari het nieuwe jaar begon. Niet dat dat meteen tot iedereen doordrong. De meeste mensen bleven gewoon de seizoenen, de midwinter of Kersttijd vieren. Pas in 1701 vierde het hele land nieuwjaar op 1 januari. De Drenten waren overigens de laatsten die die datum adopteerden, zegt Strouken.

Dan de oliebollen.

Ook hier gaan verhalen dat ze Germaans zouden zijn, en gebaseerd op oeroude ‘offerbroden’. Maar volgens Strouken dateert het eerste schriftelijke recept pas van 1667. De bollen waren toen nog koeken, en werden gebakken in een pan met lijnzaadolie. „Ze zullen dus wat platter zijn geweest dan de huidige oliebollen.”

Strouken vertelt dat de oliebollen sinds de zestiende, zeventiende eeuw door de rijke burgerij werden uitgedeeld aan de armen. Verse groenten, vlees en vis was er amper in die tijd. Korter gezegd: de armen hadden weinig te eten in de donkere dagen na Kerst. Om de onrust over de honger te kanaliseren, stelde de kerk voor Kerst een vastenperiode in. Tussen 21 december en 6 januari mocht er dan weer flink gegeten worden. De kerk stond toe dat de armen in die periode langs de huizen mochten om te bedelen. Oliebollen waren vet, gaven dus een goede bodem in de maag, ze waren makkelijk uit te delen, en gemaakt van ingrediënten die het hele jaar voorradig waren: gedroogde, gekonfijte vruchtjes, bier, vet en meel.

Overigens, ook in die tijd liepen Oud en Nieuw-feesten vaak uit de hand, zegt Strouken. Met geweld en dronken mensen. De klacht die de politie vorig jaar uitte, dat Oud en Nieuw achteraf behoorlijk gewelddadig geweest was, is dus van alle tijden. „Het is altijd een onrustige periode geweest.”

Sinds het begin van de negentiende eeuw zijn er verhalen bekend van opgeschoten jongeren die met veel lawaai en drank langs de huizen trokken, zich waarschijnlijk baserend op de oude traditie van toegestane bedelarij. Maar ook al in de zeventiende, achttiende eeuw liep het vaak uit de hand, vertelt Strouken. De armen die langs de deuren kwamen werden steeds vrijpostiger. Met als gevolg dat de rijke burgerij de deuren potdicht hield en Oud en Nieuw zelf meer binnenshuis begon te vieren, een beetje zoals we het tegenwoordig doen.

Om toch nog binnen te komen, ging het ‘bedelende volk’ nieuwjaarswensen maken, mooi versierde kaarten met verzen. In ruil voor die ‘wensbrieven’ hoopten ze op eten of geld. Misschien komen daar onze kerst- en nieuwjaarskaarten vandaan.

Oud en Nieuw was ook altijd een lawaaiige periode, zegt Strouken, met gekletter op pannendeksels, carbid schieten en geweerschoten. Het oude jaar wordt weggejaagd, en het nieuwe binnengehaald. Vuurwerk hoort ook in deze traditie. Het bestaat al eeuwen, maar in Nederland werd het pas in de jaren zestig van de vorige eeuw gemeengoed. Ook de nieuwjaarsvuren zijn van alle tijden, zegt Strouken. Het was immers koud tijdens de feesten, mensen waren veel buiten omdat binnenverlichting duur was, en een paar takken waren overal wel te vinden.

Rest nog wel de vraag waaróm we nog steeds Oud en Nieuw vieren. Waarom gaan we niet gewoon vroeg naar bed, toch bij uitstek de manier om het nieuwe jaar fris te beginnen?

Strouken denkt dat het komt doordat we in onze overgereguleerde tijd van agenda’s, plannen en organiseren, veel prijs stellen op heldere markeringspunten. „Bovendien willen we toch graag het begin van het nieuwe jaar markeren, een nieuw begin maken.” En het is toch ook leuk om juist in deze donkere dagen met een feest de eentonigheid te doorbreken, vindt zij. Eigenlijk net zoals onze voorouders deden met een periode van veel eten, drinken en bedelen, tussen twee vastenperioden in. Even een adempauze in de donkere dagen. En een nieuw begin.