Geschat: 18.000 doden

Terwijl het jaar 2007 al bijna geschiedenis was, maakte het ministerie van Verkeer en Waterstaat het goede nieuws bekend. Opnieuw is het aantal verkeersdoden gedaald, vorig jaar naar 811. Het slechte nieuws is dat het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu geen reden zag om zijn ruwe schatting van het jaarlijkse aantal voortijdig doden in Nederland als gevolg van luchtverontreiniging te herzien. Die bedraagt 18.000.

De daling van het aantal verkeersdoden is een prestatie van formaat. Al sinds 1972 is die trend er, met een gemiddelde van 2 procent per jaar, terwijl het autogebruik juist aanzienlijk toenam. Omgerekend naar het aantal inwoners doet het dichtbevolkte en dichtbeblikte Nederland het binnen de Europese Unie het beste van allemaal, op Malta na.

Met het oog op het milieubeleid is het interessant om naar de belangrijkste oorzaken van dit succes te kijken. Die zijn, in combinatie met verbeterde infrastructuur, vooral samen te vatten met het woord voertuigeisen. Verplichte autogordels, kinderzitjes, dodehoekspiegel en tachograaf leverden hun bijdrage. En daarnaast gedragsbeïnvloeding: regels tegen en controle van alcoholmisbruik; de rij- en rusttijdenverordening.

Klimaat en milieu waren in het vandaag aflopende jaar spraakmakende thema’s. De vroegere Amerikaanse vicepresident Al Gore, die met zijn film An Uncovenient Truth het grote publiek wist te bereiken, won de Nobelprijs voor de Vrede, samen met het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPPC), het instituut dat in opdracht van de Verenigde Naties zijn wetenschappelijke bevindingen rapporteert – hoewel het door tegenstanders nogal eens voor een conspiratief gezelschap wordt aangezien.

Bovendien was er de internationale klimaatconferentie op Bali, die toch nog tot een resultaat leidde. Dat bracht de Nederlandse minister van Milieu, Jacqueline Cramer (PvdA), in een licht euforische stemming, met ingebouwde twijfel: „Een fantastisch en misschien historisch moment.” Goed beschouwd is er op Bali vooral afgesproken om afspraken te maken, die in 2009 op een conferentie in Kopenhagen concreet vorm moeten krijgen. Dat staat dus nog te bezien.

IPPC, Gore en anderen kunnen worden beschouwd als mondiale klokkenluiders die wijzen op de risico’s voor de aarde en de mensheid als de klimaatproblematiek niet het hoofd wordt geboden. Maar meer dan met apocalyptisch doemdenken en met vergezichten dat de uitstoot van CO2 (kooldioxide) in het jaar x met y procent moet zijn teruggebracht, is het milieubeleid gebaat bij nuchtere en praktisch haalbare maatregelen.

In de westerse landen is de uitstoot van koolmonoxide (CO) en vluchtige organische stoffen aanzienlijk gedaald; in Nederland sinds 1990 met meer dan 50 procent. Vooral dankzij de driewegkatalysator die voor personen- en bestelauto’s vereist werd. De emissies van zwaveldioxide en ammoniak, belangrijke oorzaken van de verzuring, zijn in Nederland sinds 1980 met respectievelijk 80 en 40 procent afgenomen. Doordat raffinaderijen en energiecentrales van kolen op gas overgingen. Of doordat boeren verplicht werden emissiearme stallen te gebruiken en mestsilo’s af te dekken. En zo zijn ook dankzij productie-eisen de cfk’s (chloorkoolstofverbindingen die de ozonlaag aantasten) uit koelkast en airco teruggedrongen.

Daarmee is het milieu nog niet gered. De schatting van 18.000 voortijdig doden per jaar in Nederland door luchtvervuiling is, hoewel wetenschappelijk onvoldoende onderbouwd, alarmerend genoeg om intensievere ingrepen te verlangen en de verwachtingen over de opwarming van de aarde en de gevolgen daarvan zijn dat ook. En dan neemt Nederland maar 0,5 procent van de wereldwijde emissies voor zijn rekening. De Nederlandse inspanningen zijn daarom, hoewel noodzakelijk, per definitie van betrekkelijk belang.

Mondiale maatregelen zijn uiteraard van veel meer betekenis en daarbij kan de regering haar invloed aanwenden, te beginnen in Europa. Bijvoorbeeld in de nu lopende discussie in de Europese Unie over de technische eisen die aan auto’s moeten worden gesteld om de uitstoot van CO2 te reduceren. Op zo’n moment strekt het succes bij de verkeersveiligheid tot voorbeeld. Het verzet van de auto-industrie tegen de eisen dient door de EU en de nationale lidstaten te worden weerstaan. Wie vervuiling wil tegengaan, moet de beste daarvoor beschikbare technische middelen gebruiken. Ook als het, zowel de producent als de consument, wat kost.

De strijd tegen milieuvervuiling begint bij de productie. De autorijder zal eerder schoner dan minder rijden. Bij andere vormen van energiegebruik geldt hetzelfde. Strenge productie-eisen zijn effectiever dan een vermanende vinger in de richting van de consument. Al kan het geen kwaad om te weten dat het afsteken van vuurwerk fijnstof in de lucht brengt. En dat is slecht voor de longen.