Achttienduizend doden

Klimaat en milieu waren in het vandaag aflopende jaar spraakmakende thema’s. De vroegere Amerikaanse vicepresident Al Gore, die met zijn film An Incovenient Truth het grote publiek wist te bereiken, won de Nobelprijs voor de Vrede, samen met het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPPC). Op Bali was er de internationale klimaatconferentie, waarop goed beschouwd vooral de afspraak werd gemaakt om afspraken te maken, die in 2009 vorm moeten krijgen.

Terwijl het jaar 2007 al bijna historie was, maakte het ministerie van Verkeer goed nieuws bekend. Opnieuw is (in 2006) het aantal verkeersdoden gedaald: 811. Het slechte nieuws is dat het ministerie van Milieu geen reden had om zijn ruwe schatting van het jaarlijkse aantal voortijdig doden in Nederland door luchtverontreiniging te herzien: 18.000.

De daling van het dodental in het verkeer is een prestatie van formaat. Al sinds 1972 is die trend er, met een gemiddelde van 2 procent per jaar, terwijl het autogebruik aanzienlijk toenam. Het is interessant om naar de oorzaken te kijken. Die zijn vooral samen te vatten met het woord voertuigeisen: autogordels, kinderzitjes, dodehoekspiegel en tachograaf leverden hun aandeel.

Ook het milieu is, meer dan met apocalyptisch doemdenken en met vergezichten dat de uitstoot van CO2 in jaar X met Y procent moet zijn teruggebracht, gebaat bij nuchtere en praktisch haalbare maatregelen. En die bestaan.

In de westerse landen is de uitstoot van koolmonoxide en vluchtige organische stoffen de laatste jaren fors gedaald. Vooral dankzij de katalysator die voor personen- en bestelauto’s werd vereist. De emissies van zwaveldioxide en ammoniak, belangrijke oorzaken van de verzuring, zijn aanzienlijk afgenomen, doordat raffinaderijen en energiecentrales van kolen op gas overgingen of boeren verplicht werden emissiearme stallen te gebruiken en silo’s af te dekken.

Daarmee is het milieu nog niet gered. De schatting van 18.000 voortijdig doden per jaar door luchtvervuiling is, hoewel wetenschappelijk onvoldoende onderbouwd, alarmerend genoeg om meer te verlangen.

Van grotere betekenis dan nationale maatregelen zijn uiteraard mondiale inspanningen. De regering kan daarop haar invloed aanwenden. Bijvoorbeeld bij de nu lopende discussie in de Europese Unie over de technische eisen die aan auto’s moeten worden gesteld om de uitstoot van CO2 te reduceren. De auto-industrie verzet zich. Op zo’n moment strekt het succes bij de verkeersveiligheid tot voorbeeld. Wie vervuiling wil tegengaan, moet de best beschikbare technische middelen gebruiken. Ook als het zowel de producent als de consument wat kost.

De strijd tegen milieuvervuiling en voor een veiliger klimaat begint bij de productie. De autorijder zal eerder schoner dan minder rijden. Hetzelfde geldt bij andere vormen van energiegebruik. Strenge productie-eisen zijn effectiever dan een vermanende vinger naar de consument. Ook al is het goed om te weten dat het afsteken van vuurwerk de lucht vervuilt met fijnstof en dat is slecht voor de longen.