Verkeerde bel

Bapo staat voor Bevordering ArbeidsParticipatie Ouderen. Het is een regeling die het onderwijspersoneel vanaf 52 jaar in staat stelt minder (en niet méér zoals de naam suggereert) te participeren in het arbeidsproces. De achterliggende gedachte is dat ouderen langer voor het arbeidsproces behouden blijven als zij minder mogen werken.

De bapo-regeling werd in het leven geroepen omdat leraren massaal voortijdig afbrandden, en het was tevens een effectieve manier om jonge, werkloze leraren aan een baan te helpen.

Toen in de jaren tachtig en begin jaren negentig de leerlingenaantallen dramatisch daalden, namen scholen in hun drang tot overleven leerlingen aan die daar helemaal niet thuis hoorden. Die werden vervolgens gestimuleerd om door te stromen van mavo naar havo en van havo naar vwo, enkel en alleen om arbeidsplaatsen te behouden. Leraren werkten daaraan mee omdat ze anders hun baan kwijt raakten, en ander werk was er niet want we beleefden een economische crisis.

Dit werken met leerlingen die niet konden of wilden in een arbeidsmarkt zonder alternatieven maakte het leraarsbestaan slopend. Met als gevolg dat veel leraren werden afgekeurd. Voor de school was dat overigens geen probleem. In tegendeel. De oudere leraar die op zijn tandvlees liep, maakte plaats voor een verse jongere die blij was eindelijk een baan te hebben en daarom met alles genoegen nam. Leraren werden een wegwerpartikel en omdat in die tijd de salarissen nog werden betaald door het ministerie was er voor de schoolleiding geen enkele reden iets tegen het afbranden van leraren te ondernemen.

Inmiddels is alles veranderd. Scholen nemen geen leerlingen meer aan van wie op voorhand vaststaat dat ze het niet zullen redden. Ook moeten ze hun best doen om personeel binnenboord te houden want het reservoir aan nieuwe, verse leraren is opgedroogd en buiten de school wenken werkgevers met aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden.

Hiermee zijn de voorwaarden geschapen om terug te keren naar gewone arbeidsverhoudingen. Minister Plasterk heeft het voornemen op de bapo te bezuinigen. Zoals te verwachten viel, zijn de reacties daarop van de leraren overwegend negatief. Zo tekent het orgaan van de Algemene Onderwijsbond op uit de mond van een boze leraar: “Je moet steeds vaker invallen voor zieke of afwezige collega’s, vakken geven die je niet kent aan leerlingen die je nog nooit gezien hebt. Nee, als er acties moeten worden gevoerd voor het behoud van de bapo, loop ik voorop.”

In feite zegt die leraar: ik word op een oneigenlijke manier gebruikt, zoiets houdt geen mens tot zijn pensioen vol, daarom is die bapo een noodzakelijke voorziening, en daarom doe ik graag mee aan eventuele acties tegen dit voornemen van de minister. Daarmee trekt deze leraar natuurlijk aan de verkeerde bel. Zijn schoolbestuur krijgt voldoende geld om, zonder hem tot oneigenlijke werkzaamheden te verplichten, de zaken goed te laten verlopen. Zijn school slaagt daar blijkbaar niet in. Dáár moet deze leraar zich tegen keren.

Leraren moeten niet vechten voor behoud van de bapo. Dat is een bij voorbaat kansloos gevecht. Want net als in andere sectoren zullen ook in het onderwijs dergelijke regelingen geleidelijk worden afgebouwd. Daar valt niet aan te ontkomen, maar dat is alleen maar acceptabel als sprake is van fatsoenlijke werkomstandigheden. Vakken geven die je niet kent aan leerlingen die je nog nooit gezien hebt, zo behandel je een leraar niet, en zo moet een leraar zich ook niet laten behandelen. Daar zou ik me als vakbond sterk voor maken. Met het bijbrengen van professioneel zelfbewustzijn is de beroepsgroep meer geholpen dan met meehuilen om de bapo.

lgm.prick@worldonline.nl