Realisme en romantiek op ‘British Vision’

Tentoonstelling British Vision. Observatie en verbeelding in de Britse kunst 1750-1950, t/m 13 januari 2008 in Museum voor Schone Kunsten, Citadelpark, Gent. Di t/m zo 10-18u, wo tot 21u. Gesl. op maandag en 1 januari. Cat. € 40. Info: ww.britishvision.be.

Trek er gerust een dag voor uit, voor de overweldigende tentoonstelling British Vision, in het pas gerenoveerde Museum voor Schone Kunsten in Gent. Het lijkt wel of zich daar een standaardboek over twee eeuwen Britse kunst langs de muren ontvouwt. Maar het zijn geen reproducties, geen powerpoint-plaatjes, je ziet echte Gainsboroughs, Turners, Fuseli’s, Blakes, Constables, Rowlandsons, Rossetti’s, Hockney’s en Bacons. Echte beelden van Henry Moore, Barbara Hepworth en Jacob Epstein. En foto's, onder andere van de beroemde ingenieur Isambard Kingdom Brunel, ontwerper van stoomschepen en spoorbruggen.

Het is ongelofelijk wat musea als de Tate, the Victoria and Albert Museum, the National Portrait Gallery en vele andere musea uit heel Engeland voor deze tentoonstelling hebben uitgeleend. En het aardige is dat al die grote namen in Gent heel vanzelfsprekend worden gepresenteerd binnen de context waarin ze zijn ontstaan, dat wil zeggen dat ook minder bekende tijdgenoten een rol hebben.

Duidelijk wordt bovendien dat kunstenaars die als specialist van bepaalde onderwerpen de geschiedenis in zijn gegaan, minstens zo interessant zijn als ze eens buiten hun paadje traden. Dat een schilder als George Stubbs ook nog wel iets anders kon schilderen dan ranke, gladde paarden en hun al even ranke en slanke jockeys. Dat Alexander Cozens niet alleen wolken bestudeerde. En dat een van de mooiste werken op de tentoonstelling een Gainsborough is zonder figuren.

British Vision concentreert zich op de twee componenten waardoor, volgens de samenstellers, de Britse kunst vanaf de achttiende eeuw een aparte plaats innam in de westerse kunstgeschiedenis. Dat zijn ten eerste de observatie (dus een nauwgezette bestudering van de natuur) en ten tweede het visionaire. Dit concept is helder en ook consequent volgehouden, al beweert de geestelijke vader van dit megalomane project, museumdirecteur Robert Hoozee, wel erg stellig dat de Engelse kunstenaars zich veel onafhankelijker opstelden dan hun collega’s „in het door traditie en vooroordelen bepaalde” Frankrijk en Duitsland. De Engelsen waren volgens Hoozee aanzienlijk individualistischer.

Wat in ieder geval op deze tentoonstelling volop blijkt is dat de meeste kunstenaars heen en weer werden geslingerd tussen de drang naar nauwkeurige observatie, een bijna wetenschappelijke documentatie en het uiten van hun grillige fantasieën. Tussen het oog en de ziel. Tussen the picturesque en the sublime. Maar ook tussen realisme en romantiek, zou je bijna zeggen, al vallen die termen eigenlijk nergens. Het is zelden het een of het ander. Want de natuurgetrouwe landschappen van John Constable zijn immers doordrenkt van nostalgie en ‘tegenpool’ Turner voorzag zijn visionaire beelden heel precies van een datum en plaatsaanduiding.

Bijzonder mooi zijn de zaaltjes waarin natuurstudies en ‘momentopnamen’ naast elkaar zijn gezet en waar je ziet hoe dicht de vroege fotografie, de aquarelleerkunst en de olieverfkunst elkaar naderen. Een wolkenstudie kan vooral tot de ziel spreken, terwijl een woeste natuurschets van een paar streken als hyperrealistisch over kan komen.

De tweedeling wordt vanuit de achttiende tot diep in de twintigste eeuw doorgetrokken. In het centrum van de tentoonstelling, waar de negentiende en de twintigste eeuw elkaar ontmoeten, worden uitersten als William Blake en Henri Fuseli verbonden met de griezelige duizendpoot Stanley Spencer, die zijn oorlogstrauma’s overal in door liet spelen. In die centrale hal hangt ook het icoon van de Preraphaëlieten, Beata Beatrix, het portret van Rossetti’s geliefde en model Elizabeth Siddal, weergegeven op het moment waarop ze in extase sterft.

Vooral de afdeling werken op papier is sterk, met als hoogtepunt het originele boekje waarin Charles Lutwidge Dodgson, beter bekend als Lewis Carroll, een van zijn Alice in Wonderland-verhalen schreef en tekende. Het gaat om Alice grows and grows in the White Rabbit’s House. De auteur tekende een gewoon negentiende-eeuws meisje met een middenscheiding en kleine smalle schoentjes. Het absurde is dat ze in dit verhaal zo sterk groeit dat ze uit de ruimte barst en zich moet buigen, ‘om te vermijden dat ze haar nek zou breken’. Dat doet ze, met een uiterst dromerige blik in de ogen. Typisch Engels!