Optimisme is een morele plicht

De machtigste man van Nederland wordt Alexander Rinnooy Kan genoemd. Hij is onder meer voorzitter van de Sociaal Economische Raad. „Je moet niet de illusie hebben dat je je leven kunt plannen.”

Het gesprek met Alexander Rinnooy Kan (58) begint al door de telefoon. Was het zijn droom om voorzitter van de SER te worden? Waarom is hij niet de briljante geleerde die hij ook had kunnen zijn?

En dan zegt hij: „Weet je waarom er geen Nobelprijs voor de wiskunde is?”

Typisch Rinnooy Kan, zal later blijken. Een vraag stellen om zelf iets te kunnen vertellen. „Alfred Nobel wilde voorkomen dat een beroemde wiskundige uit zijn tijd de prijs zou krijgen. Nobels vriendin had een verhouding met hem.”

Hij vindt het een mooi verhaal.

Het echte gesprek is op een regenachtige vrijdag in december en het begint ’s morgens in de hal van het hoofdkantoor van ING in Amsterdam. Rinnooy Kan zat tot mei 2006 in de raad van bestuur van ING en hij is voor het eerst weer eens langs geweest bij Michel Tilmant, de voorzitter. Om drie uur moet hij in het Kröller-Müller Museum zijn, waar hij in de raad van toezicht zit. Tot dan heeft hij de tijd. Hij wordt gereden in een Citroën C6, zo een die op de DS uit de jaren vijftig lijkt.

Zal er onderweg gestopt worden om te eten?

„Doe ik eigenlijk nooit”, zegt hij. „Ik heb altijd wat bij me.” Dus gaat de rit meteen naar de Veluwe. „We zien wel.”

Hij is volgens onderzoek van de Volkskrant de invloedrijkste man van Nederland, en het idee is nu om na te gaan hoe zijn manier van denken is, een manier die je blijkbaar op deze positie kan brengen. Wat iets over hem zegt, maar nog meer over Nederland. Daarna: hoe hij vindt dat het gaat met Nederland?

In de jaren tachtig verdiepte hij zich, als gasthoogleraar in Berkeley en Boston, in de wetenschap van het onderhandelen. (Hij is er net weer mee begonnen, aan de Universiteit van Amsterdam.) Daarvóór beoefende hij de mathematische besliskunde. Maar hij begon als achttienjarige in de zuivere – niet toegepaste – wiskunde. Waarom?

„Het kwam aan het eind van de lagere school”, zegt hij. „De fascinatie voor de wetmatigheden tussen getallen, die niet toevallig zijn. Zes kwadraat min vijf kwadraat is gelijk aan zes plus vijf. Zeven kwadraat min zes kwadraat is gelijk aan zeven plus zes. Enzovoort, enzovoort. Je kunt het verifiëren tot je een ons weegt, maar je kunt het ook in één keer bewijzen.”

De zekerheid dat de waarheid bestaat, ook al zijn mensen nog vaak te dom om haar te zien. En dan zijn leraar op het gymnasium, de inspiratie die van hem uitging. Een gepromoveerde leraar, die hoogleraar hoopte te worden. „Toen nog een normale route.”

Veel wiskundigen zijn gelovig.

„Het zijn platonisten.”

Bent u dat?

„Dat klinkt me te chic, het vereist doordachtheid om dat van jezelf te zeggen. Maar de ervaring dat je bij het beoefenen van de wiskunde heel af en toe een blik buiten de grot gegund wordt, en de emotie die ermee gepaard gaat, ja, die ken ik.”

U zou uw promotieonderzoek gaan doen in de zuivere wiskunde, maar dat ging niet door.

„Ja, dat is een raar verhaal. Ik studeerde af op 28 januari 1972 en de volgende dag kondigde het ministerie een personeelsstop af. Was ik een week eerder of later afgestudeerd, dan was er niets aan de hand geweest. Maar nu kon ik niet worden aangesteld. Alsof de voorzienigheid zich ermee bemoeide, want eigenlijk wist ik niet zeker of ik wel goed genoeg was.”

Meent u dat, van die voorzienigheid?

„Nee. Maar het was een beslissend moment in mijn leven. Als ik was doorgegaan in de zuivere wiskunde, dan was ik niet geweest waar ik nu ben.”

U zou in dat vak de top niet hebben bereikt?

„Zeker niet. Ik zag wiskundigen om me heen die veel beter waren dan ik. Dat is het goede van de wiskunde. Er is een duidelijke pecking order en die is gebaseerd op verdienste. Of je sociaal vaardig bent of populair of welbespraakt – het doet er niet toe. Het is een meritocratie, je status wordt volledig bepaald door je prestaties en je capaciteiten. Ik voelde me daar heel prettig bij.”

Waardoor wordt iemands status bij de SER dan bepaald?

„Voornamelijk door de kwaliteit van je argumentatie. Je professionele gezag.”

En daar voelt u zich...

„...ook heel prettig bij, ja.”

Maar het is toeval dat u er terechtkwam?

„Je moet niet de illusie hebben dat je je leven kunt plannen. Dat houd ik jonge mensen die me vragen hoe ze hun loopbaan moeten opbouwen graag voor. Ken je het boek Fooled by Randomness, van Nassim Taleb? Daarin staat dat de statistische modellen waarvan we ons bedienen om historische gebeurtenissen te begrijpen fundamenteel misleidend zijn. Niemand voorzag het moment van de val van de Berlijnse Muur, maar de geschiedenis nam een totaal andere loop. De analogie is dat een onverwachte kans een veel zwaarder stempel op je leven kan drukken dan dat wat je door noeste arbeid hebt verworven.”

Vervolgens daalde u af naar de toegepaste wiskunde.

Met een lachje: „Eerst is er de zuivere wiskunde, dan een hele tijd niets en dan komt de toegepaste wiskunde. Een treurige carrière.”

Waarmee helpt de mathematisch besliskundige de wereld vooruit?

„Ik ging me samen met Jan Karel Lenstra (nu hoogleraar en directeur van het Centrum voor Wiskunde en Informatica, red.) bezighouden met allerlei variaties op het prototypische planningsvraagstuk waarvoor we in de wiskunde de metafoor van de handelsreiziger gebruiken. Die handelsreiziger gaat ’s morgens van huis, moet langs een aantal steden en keert ’s avonds terug. De vraag is wat de kortste route is. Weet je hoeveel mogelijkheden er zijn bij honderd steden?”

Nou?

„Een 1 met 150 nullen. In de Verenigde Staten was toen net bewijsmateriaal gevonden voor de stelling dat je om de beste route te vinden toch al die mogelijkheden bij langs moet. Er is geen shortcut. Wetenschappelijk was dat een doorbraak.”

Wat bracht u ertoe om u in de wetenschap van het onderhandelen te verdiepen?

„Ik was hoogleraar aan de Erasmus Universiteit en ik kreeg toestemming voor een sabbatical, in 1984. Aan het Massachusetts Institute of Technology in Boston was net in navolging van Harvard een heel goed programma over onderhandelen begonnen. Dat ben ik gaan volgen. Lees The strategy of conflict van Thomas Schelling, de latere Nobelprijswinnaar. Daarin werd voor het eerst de schijnbare irrationaliteit van onderhandelingsgedrag geanalyseerd, in samenhang met de psychologische en sociaal-psychologische kanten ervan.”

Wat leerde u?

„Wat je intuïtief al wel weet. Onderhandelen is de dominante omgangsvorm in ons soort samenleving. Ouders en kinderen, werkgevers en werknemers, politici – in elke situatie waarin belangen niet volkomen haaks op elkaar staan of geheel in elkaars verlengde liggen, ontstaat onderhandelingsruimte.”

En daarmee wordt het resultaat voorspelbaar?

„Nee, maar wel te begrijpen. Je ziet hoe mensen bewust of onbewust hun kracht ontlenen aan hun zelf opgelegde beperkingen. Je zegt dat je achterban je geen enkele bewegingsruimte geeft, dus nee, sorry, aan die eis kan ik niet toegeven. Of je zegt dat je een bepaald voorstel echt niet kan begrijpen, daar ben ik veel te dom voor. Zo dwing je mensen om dan maar zelf in beweging te komen.”

Na een uur rijdt de Citroën C6 park De Hoge Veluwe in, waar het Kröller-Müller in ligt. Alexander Rinnooy Kan stelt voor om te gaan wandelen of naar het museum te gaan. Maar hij begrijpt dat het lopend lastig aantekeningen maken is en dat de belangrijkste vragen nog gesteld moeten worden. Dus wordt het een tafeltje in zelfbedieningspannenkoekenrestaurant De Koperen Kop. Hij kiest appel en rozijnen. Eén kopje koffie.

Hij vertelt dat hij na zijn terugkeer uit de Verenigde Staten tot zijn verbazing werd gevraagd om rector magnificus te worden van de Erasmus Universiteit en dat hij toen leerde wat besturen en onderhandelen in de praktijk was. Hij was 36. „Je zou hopen dat je naar iemand toe kon gaan: jij hebt twintig jaar ervaring, trek een half uur voor me uit en vertel me wat ik moet weten. Maar nee. Ervaring moet je opdoen, ook hier is geen shortcut.”

En dat viel tegen?

„Nou, ehh... ja.”

Lodewijk de Waal zei later, toen hij nog voorzitter van de FNV, dat u zo teleurgesteld kon kijken als u hem had uitgelegd hoe het zat en hij toch bij zijn standpunt bleef.

„Dat zou een terecht verwijt kunnen zijn. Dat ik er te weinig rekening mee houd dat mensen er vaak een andere logica dan de mijne op na houden.”

In 1991 werd hij, weer tot zijn verbazing, voorzitter van werkgeversvereniging VNO, later VNO/NCW. Hij werd daardoor ook lid van de SER en hij maakte, achteraf gezien, een ongekende revolutie mee. De WAO werd in zijn oude vorm afgeschaft. Het kabinet, onder leiding van de PvdA’er Wim Kok, bezuinigde 4,4 miljard gulden.

Het kan dus wel in Nederland, een ingrijpend besluit nemen.

„Als je bedoelt dat hier alles altijd traag gaat, dan zeg ik dat ze in Frankrijk en Duitsland nu nog bezig zijn om hervormingen door te voeren die wij allang achter de rug hebben. In landen waar ze het poldermodel niet hebben – ik gebruik het woord één keer – kijken ze met respect naar de manier waarop wij die dingen doen. Fatsoenlijk, in voorbereiding en in uitvoering. Het is een traditie waar ik trots op ben.”

Hoe lang wachten we al op een verandering van het ontslagrecht?

„Er is niet níets gebeurd. Met de Flexwet van 1999 is de arbeidsmarkt al veel soepeler geworden.”

U vindt niet dat het allang mogelijk had moeten zijn om werknemers gemakkelijker te ontslaan?

„Dat is voor mij een lastig onderwerp. Ik zie het als mijn taak om het gesprek daarover tussen werkgevers en werknemers te ondersteunen. Ik heb een jaar geleden geprobeerd om het in eigen kring tot een afronding te brengen, maar...”

... de belangen staan volkomen haaks op elkaar. Valt er wel wat te onderhandelen?

„Collega’s die ik erover spreek, internationaal, vinden het al ondenkbaar dat je het met elkaar eens zou wíllen worden. In Nederland had het niet veel gescheeld.”

Is het erg dat het niet gelukt is?

„Daar zijn de meningen over verdeeld en wat ik er zelf van vind is niet zo relevant. Het is voor mij niet altijd nuttig om publiekelijk positie te kiezen.”

Kan het nog polderachtiger?

„Het hoort bij mijn rol.”

U kunt wel over uw advies over de leraren praten?

„Zeker.” Hij praat meteen door. „Het is altijd mijn diepste overtuiging geweest dat goed onderwijs van essentieel belang is voor een samenleving. De kwalificatie van leraren speelt daar een cruciale rol in.”

Dus toen het kabinet u in mei vroeg voor de Commissie Leraren had u uw advies eigenlijk al klaar: leraren stimuleren om zich te ontwikkelen.

„Dat was een van de adviezen. En ik heb vastgesteld dat er onder de deskundigen in de commissie niemand was die er anders over dacht.”

Vandaar dat het advies in september af was.

„Dat was ook echt de bedoeling. Alle cijfers, alle analyses waren er al. Dat was wel schokkend om te zien. Het tekort aan leraren, de teloorgang van het beroep, het is allemaal vijftien jaar geleden al begonnen. Alle beleidsmaatregelen zijn ineffectief gebleken.”

Wat zegt dat over Nederland?

„Dat het soms lang duurt voordat we de oplossing in beeld hebben. Het geldt ook voor de overbelasting van de wegen, voor de woningmarkt. Hoe lang hebben we al zien aankomen dat jonge mensen niet meer op eigen kracht een huis kunnen kopen?”

Zijn er overeenkomsten tussen deze problemen?

„Als je ze op voldoende abstract niveau brengt wel. Het zijn complexe opgaven in een klein land waar iedereen zich met alles wil bemoeien en ook de ruimte krijgt om er zich mee te bemoeien. Dat kost tijd.”

En zou er één oplossing zijn die voor al die problemen geschikt is?

„Nee. Het is de prijs die je betaalt in een parlementaire democratie. Je moet niet de illusie hebben dat het heel veel sneller kan. Als je het probeert, betaal je ook een prijs.”

Omdat de kans op verkeerde beslissingen groter is?

„Dat lijkt me een truïsme. In een lang proces komen alle critici tot hun recht. En uit de schok van de opinies vloeit de waarheid voort. Het is de enige route die ik ken. In het politieke debat dan. Niet in de wiskunde. Daar is de waarheid ondubbelzinnig.”

De toenemende onvrede in Nederland, het geklaag over ‘gebrek aan daadkracht’ in de politiek, is dat geen hoge prijs?

„Uit allerlei onderzoek blijkt dat heel veel Nederlanders tevreden en gelukkig zijn met hun leven. En het lijkt mij dat ons dankbaarheid past voor het feit dat we al meer dan vijftig jaar in vrede en welvaart leven.”

Hoe verklaart u de opkomst van extreem links en extreem rechts?

„Dat is niet zo gemakkelijk. En het heeft opmerkelijke vormen aangenomen. Voor het eerst in vijftig jaar hebben PvdA, CDA en VVD samen minder dan vijfenzeventig zetels. Heel bijzonder. Toen de SER werd opgericht, in 1950, hadden PvdA en KVP samen negenenvijftig van de toen nog honderd zetels. Blijkbaar zijn er nogal wat mensen die wat ze in hun directe leefomgeving waarnemen niet waarderen en vinden dat alles radicaal anders moet.”

Maar de verklaring?

„Ik ga naar een wat abstracter niveau en denk aan de Amerikaanse politicoloog Robert Putnam, die zegt dat bij het toenemen van diversiteit in een samenleving het wantrouwen binnen groepen en tussen groepen onderling ook toeneemt. Het staat haaks op zijn politieke overtuigingen en een goede verklaring heeft hij niet. Maar het gebeurt wel. Putnam zegt dat we in Nederland het probleem hebben proberen op te lossen door middel van verzuiling. We hebben de creatieve kracht die ook uit diversiteit kan voortkomen eeuwenlang in ons voordeel weten te gebruiken. Maar de formule is niet houdbaar gebleken.”

Vindt u het zorgelijk?

„Ja. Het is onvrede die niet tot een oplossing leidt. Politici in de oppositie mogen met bravoure zeggen wat er allemaal niet deugt, maar ze zijn er ook om te zeggen hoe het dan wel moet en om stapje voor stapje naar een oplossing toe te werken. Dat is de enige weg. Het lijkt moedig om harde en omstreden standpunten in te nemen, maar het is moediger om te zeggen: hier staan we, de problemen zijn complex, de oplossingen zijn dat ook, maar nu gaan we aan het werk.”

Doet dit kabinet dat?

„Dat is me een te simpele vraag. Ik vond dat het kabinet goede voornemens had. Europa is terug in het hart van de politiek, de duurzaamheid is weer beleid. Mijn voorganger Wijffels was niet voor niets bij de totstandkoming ervan betrokken.”

U zegt ‘vond’ en ‘had’?

„We moeten nu zien wat ervan terechtkomt. Het hoort niet bij mijn rol om me nu al verder uit te spreken. Ik ben er om waar mogelijk het kabinetsbeleid positief te ondersteunen.”

Minister Plasterk heeft uw advies om leraren met een academische graad automatisch meer te betalen niet overgenomen.

„Dat is mijn enige teleurstelling over zijn reactie. Ja, dat betreur ik. Maar het zou kinderachtig van me zijn om alleen daarnaar te kijken. Hij heeft het advies verder integraal overgenomen. Hij heeft ook duidelijk gezegd dat de kwalificatie van leraren omhoog moet.”

Was Plasterk het eigenlijk met u eens, maar kon hij dat om politieke redenen niet zeggen?

„Dat weet ik niet. En als ik het wel zou weten, zou ik het niet zeggen. Dat kan ik een minister niet aandoen. Die heeft recht op een vertrouwelijk gesprek.”

Valt het u niet zwaar, om u zo weinig te kunnen uitspreken?

„Dat valt wel mee hoor. Er is meer in de wereld om een mening over te hebben dan over de details van het Nederlandse kabinetsbeleid.”

Alexander Rinnooy Kan stelt nog een keer voor om te gaan wandelen, maar het giet van de regen. Dus begint hij over Strawdogs van de Britse filosoof John Gray, dat hij eens als kerstcadeautje gaf aan zijn collega’s in de raad van bestuur van ING. „Een inktzwart boek, elk vooruitgangsgeloof wordt de grond in gemept.”

Zijn collega’s waren verbaasd geweest. Zo’n boek, van hém? Maar er zat volgens hem een mooie boodschap achter: de enige hoop voor de mensheid ontstaat uit de overdracht van kennis aan de volgende generatie. Hij zegt: „Natuurlijk ontleen ik mijn motivatie aan mijn eigen ervaring uit mijn middelbareschooltijd. Maar dat is wat een goede leraar kan bereiken bij een leerling. O, zit het zo? De eye-opener. Onderwijs en cultuur, en dan bedoel ik ook de muziek, de beeldende kunst, de literatuur, zijn bakens van hoop.”

Bakens op de weg naar...?

„Als dit een uitnodiging is voor een religieuze bekentenis, ga ik je teleurstellen. Maar ja, mijn inzet is een betere en rechtvaardiger wereld. Ik ben een optimist. Optimisme is de morele plicht van mensen op verantwoordelijke posities.”

Zou het ook niet uw morele plicht zijn om de politiek in te gaan? U en uw voorganger Wijffels worden regelmatig genoemd als premier. Waarom doet u dat niet?”

„Om te beginnen zit ik bij de verkeerde partij.”

In 1994, toen uw partij nog groot was, werd u gesmeekt om minister van Economische Zaken te worden. Deed u ook niet.

„Dat is waar.”

Dus?

„Ik denk ook dat ik er niet zo geschikt voor ben. Een politicus moet informatie selectief kunnen delen. Niet iedereen hetzelfde vertellen, je voortdurend aanpassen aan je publiek. Ik heb één analyse, één verhaal, en dat is het.”

Nu wil hij echt naar buiten. Het is kwart over twee, het regent niet meer en hij wil nog laten zien welke schilderijen uit de collectie van Kröller-Müller hij de mooiste vindt. Maar hij staat niet op, hij begint weer te praten – over de Amerikaanse historicus George Kennan. Die keerde na een lange carrière in de diplomatie terug naar de universiteit, naar Princeton. Hij zou zich weer gaan wijden aan de wetenschap. In zijn dagboek beschreef hij hoe hij zijn werkkamer binnenliep en op zijn bureau een blocnote en een potlood zag liggen. En hij realiseerde zich dat alles nu weer uit hemzelf moest komen. Geen vergaderingen meer om zijn dag mee te vullen, geen telefoontjes, geen secretaresse die zijn agenda volboekte met afspraken. „Als hij niets deed, zou er niets gebeuren. ”

De moraal is?

„Dat je niet zo maar terug kunt. Onder hoogleraren die bestuursfuncties vervullen is het bon ton om te zeggen dat ze niet kunnen wachten tot ze weer onderzoek kunnen gaan doen, dat ze de dagen tellen. Het is bijna altijd een teleurstelling. Ze zijn de aansluiting met het onderzoek allang kwijt.”

Het klinkt alsof u zichzelf moet overtuigen. Was u niet toch liever...?

„Nee. Ik ben nu betrokken bij de verandering van Nederland. En Nederland is in twintig jaar enorm veranderd.”

De SER is net zo’n hoge top als die Nobelprijs voor de wiskunde die er niet is?

„Dat is niet zo’n vreselijk gemakkelijk vergelijking. Maar ik ben ongelooflijk dankbaar dat ik mag doen wat ik doe.”

Wie of wat bent u zo dankbaar?

Hij is voor de eerste keer even stil. „Zo heb ik er nog nooit over nagedacht. Misschien toch wel de voorzienigheid.”

Daar geloofde u toch niet in?

„Dat is te simpel. Wat ik geloof, is niet gemakkelijk in conventionele termen te vangen. Als ik ergens affiniteit mee voel, dan is het met de geloofsbeleving van Huub Oosterhuis.”

U kunt naar het CDA.

„Dat had ik sowieso wel gekund. Maar ik doe het niet.”

In het museum loopt hij naar een zaal met werk van Isaäc Israëls en gaat voor een groot doek van Mata Hari staan. Ze is ten voeten uit geschilderd, in een lange, zwarte jas, met zwart bont afgezet. Haar roodblonde haar is weggestopt onder een zwarte baret.

Waarom deze keuze?

Opeens verlegen: „Ja, zeg. Dat stond niet in de kleine lettertjes.” Hij draait zich om en wil de zaal uitlopen. „Ik heb op dit terrein geen enkele pretentie.”

Heeft uw keuze iets te maken met uw pleidooien voor meer vrouwen in topposities?

Hij haalt zijn schouders op en loopt terug naar het schilderij. „Het is haar trotse houding. En haar blik, met dat zweempje verdriet erin.”