Opstand en wrok

De Hollandse onvrede is een veelkoppig monster – sla er één kop af en er groeien onmiddellijk twee nieuwe aan. Bijna zes jaar na de moord op Fortuyn is er nog altijd woede, heel veel woede, en wie deze dagen terugkijkt op weer een jaar vol opwinding en verontwaardiging, begrijpt meteen dat het in het nieuwe jaar niet beter zal worden. Ook in 2008 zal het gaan over nationale identiteit, over de islam, over het volk dat zich niet gezien en gehoord voelt. Ook in 2008 zullen de beschuldigingen over en weer vliegen, over gebrek aan moed, over opgeklopte heldhaftigheid en slappe knieën, over zelfcensuur en gebrek aan zelfkritiek. Luidkeels zal het gaan over principes, maar we hebben het nog steeds over een klimaat. Alleen Leon de Winter doet niet meer mee. Die moet geschrokken zijn toen hij zag dat hij bleek te hebben opgeroepen wat hij juist zei te bestrijden. Zes jaar lang vocht hij voor de westerse waarden. Zijn erfenis heet Geert Wilders.

Die laatste zal ook in 2008 weer politicus van het jaar worden. Het lukt de zittende bestuurlijke elite maar niet om hem effectief te bestrijden, omdat ze hopeloos verdeeld is. Zodra er iemand opstaat die het beestje bij de naam wil noemen, krijgt de boodschapper een stortvloed van kritiek uit eigen kring over zich heen – niet het volk schofferen! Niet demoniseren! Zo maak je hem alleen maar groter!

Noem het het Fortuyntrauma. Dat is het grootst bij de PvdA, die zes jaar geleden de onvrede over het hoofd zag en sindsdien wanhopig worstelt met de vraag wie nu eigenlijk de echte gewone man is: de moslim die na veertig jaar multiculturalisme nog overal als wezensvreemd wordt ervaren of de ontevreden autochtoon die zich inmiddels permanent tekortgedaan voelt. Manon van der Garde, de fractievoorzitter van de PvdA van Amsterdam, schreef een verhit opiniestuk in de Volkskrant, waarin ze Wilders en zijn eis van totale aanpassing een ernstige bedreiging voor de democratie noemde. Onmiddellijk namen kopstukken van de Amsterdamse PvdA afstand van haar en schreven criticasters van de eigen partij een stuk tegen „de linkse reflexen in het debat rond de multiculturele samenleving.” Van der Garde ontsloeg een van de schrijvers van dat stuk en ligt nu zelf onder vuur. Op de website van haar partij wordt zij „Koningin van de censuur”, „De gevaarlijkste Nederlander van 2007” en „de Pol Pot van de Amstel” genoemd. Met de beste wensen.

De kwestie laat zien hoe groot de verwarring is. De bestrijders van de „linkse reflexen” zijn gespitst op politieke correctheid waarmee reële problemen botweg worden afgedaan als vreemdelingenhaat. Maar de andere partij ziet in Wilders iemand die zijn ordinaire vreemdelingenhaat maskeert met het zogenaamd aansnijden van reële problemen. Wie is naïef?

Aan het begin van zijn lange essay L’homme revolté uit 1951 maakt de Franse schrijver Albert Camus een onderscheid tussen opstand en wrok. Je kunt je tegen iets verzetten uit opstandigheid, omdat je het gevoel hebt dat er onrecht wordt gedaan – of je komt in verzet uit rancune, vanuit een verbitterde onvrede met jezelf. Ressentiment is „zelfvergiftiging, een schadelijke afscheiding van aanhoudende machteloosheid, in een gesloten vat. De opstand breekt daarentegen de mens open en helpt hem te overstromen. Hij bevrijdt een stroom die eerst gestremd was en nu woest gaat kolken.”

In het onbehaaglijke Nederlandse klimaat lopen die twee vormen van verzet door elkaar – met de islam als strijdperk. De oude „linkse reflex” doet kritiek te vaak af als een vorm van kwalijk ressentiment. De linkse critici van de politiek correcte reflexen durven de „islamkritiek” van Wilders niet te ontmaskeren als wrok. Zo houdt men elkaar in gijzeling.

Vergelijk het met kritiek op Israël. Die wordt door verdedigers van dat land meestal onmiddellijk afgedaan als antisemitisme. Maar er zijn ook genoeg echte antisemieten die hun haat vermommen als ogenschijnlijk oprechte kritiek – waardoor de Israëladepten weer gesterkt worden in hun overtuiging dat kritiek altijd een dekmantel is voor antisemitisme. Enzovoort.

Er zijn genoeg moslims die kritiek te gauw afdoen als moslimhaat. Maar Geert Wilders is geen moeilijk geval. Hij is zuiver ressentiment. Zijn partij is niet opstandig uit idealisme, maar uit haat. Dat is wat de islamcritici, Ayaan Hirsi Ali voorop, te laat onder ogen hebben gezien, gefixeerd als ze waren op het kwaad van de radicale islam. De meesten van hen zijn inmiddels bijgedraaid, maar wie de afgelopen jaren wees op groeiende moslimhaat, werd door hen ogenblikkelijk beschuldigd van „linkse reflexen”.

Zeker, die reflexen bestonden. Zelfs nu loop je er nog wel eens tegenaan. Tolerantie, diversiteit, begrip voor de ander; het zijn loze begrippen geworden, niet omdat ze niets betekenen, maar omdat ze in het verleden te vaak zijn gebruikt om heikele kwesties onbespreekbaar te maken. Dat maakt het zo lastig om een figuur als Wilders met precies die begrippen te weerspreken. Dat zal ook de koningin ondervinden.

Wat je nu ziet, is het tegenovergestelde: uit afkeer van de „linkse reflexen’’ geeft juist links Wilders en zijn benepen geestverwanten vrij spel. Opnieuw laat links het afweten. Natuurlijk moet je de Wildersstemmers proberen te begrijpen – zoals je ook radicale moslims moet proberen te begrijpen. Maar begrijpen is niet vergoelijken. Omdat kritiek op de multiculturele samenleving binnen de linkse bestuurlijke elite te lang taboe was, durft men nu uit angst haat niet meer haat te noemen.

Er is een wezenlijk verschil tussen kritiek en ressentiment. Die twee uit elkaar houden is al een hele opgaaf. Onvervalst ressentiment weerspreken is meer dan dat. Het is een morele plicht. Met de beste wensen.