Op zes poten

Krekels, hommels, oorwormen et cetera kregen hun wetenschappelijke première in het Tijdschrift voor Entomologie. Het blad bestaat nu 150 jaar. Sander Voormolen

Tienduizend nieuwe insectensoorten – één procent van het totaal aantal beschreven insectensoorten in de wereld – figureerden in de afgelopen honderdvijftig jaar in het Tijdschrift voor Entomologie. Dat is de schatting van Erik van Nieukerken, hoofdredacteur van het wetenschappelijke blad. “Ik heb geteld hoeveel soorten er de laatste tien jaar in ons tijdschrift zijn beschreven. Dat waren er 567. Vermenigvuldigd met de levensduur van het tijdschrift kom ik dan uit op ruim 8.500. Omdat er in het begin zeker meer soorten werden beschreven dan tegenwoordig, heb ik er wat bij gedaan en kom ik op tienduizend. Maar dat is misschien nog wel een onderschatting.”

Van Nieukerken laat trots het jubileumnummer zien op de Entomologendag, twee weken geleden in congrescentrum De Reehorst in Ede. De editie is een feest geworden, met terugblikken op de geschiedenis van het tijdschrift en op het vakgebied van de insectentaxonomie. Halverwege gaat het bijna tweehonderdvijftig pagina’s tellende nummer weer over op business as usual, met artikelen over de zang van bepaalde cicaden en en een revisie van het mestkevergeslacht Ochicanthon van Indonesië.

Aangezien er een miljoen insectensoorten bekend zijn, is hun taxonomie (de wetenschap van soorten beschrijven en indelen) een stevige klus. Wereldwijd bestaan er dertig tot veertig gespecialiseerde tijdschriften voor. Hoofdredacteur Van Nieukerken is zelf specialist op het gebied van bladminerende vlinders, en beschreef tot dusver 37 nieuwe soorten. “Er verschijnen er nog twee in januari, maar ik heb nog tientallen onbeschreven bladminerende vlinders ontdekt, waarvan ik de beschrijvingen nog moet afmaken en publiceren.”

Honderdvijftig jaar stug doorpubliceren levert het tijdschrift indrukwekkende getallen op. Van Nieukerken somt er een paar op: “52.235 bladzijden, 2114 artikelen en 669 auteurs uit 30 landen.” En natuurlijk de eerder genoemde tienduizend nieuwe soorten.

Het lijkt vreemd dat een wetenschappelijk tijdschrift dat nog altijd een Nederlandstalige titel draagt toch zo’n substantiële bijdrage levert aan de wereldliteratuur op het vakgebied van de insectentaxonomie. Maar volgens Van Nieukerken is het Tijdschrift voor Entomologie “een internationaal begrip”. Hoewel de auteurs in de beginjaren bijna allemaal Nederlanders waren, wordt een behoorlijk deel van de pagina’s nu vanuit het buitenland gevuld.

Van Nieukerken: “Begin jaren negentig hebben we overwogen over te stappen op een Engelstalige titel. Daarover is veel discussie geweest. Maar opvallend genoeg waren het de buitenlandse collega’s die ons sterk afraadden de naam veranderen. Het Tijdschrift voor Entomologie was inmiddels een sterk merk geworden met een wereldwijde bekendheid. De internationale taxonomen zeiden ‘vooral zo laten alsjeblieft, we zeggen wel tiedskrift, dat maakt ons niet uit’. En het woord entomologie verschilt maar twee letters van het Engels en is dus wel te begrijpen.”

Wel is de inhoud van het Tijdschrift voor Entomologie nu volledig Engelstalig, zoals gangbaar in de wetenschap. Maar in zijn geschiedenis hebben er behalve artikelen in het Engels en Nederlands, ook publicaties in het Duits en Frans en zelfs in het Latijn en Italiaans in gestaan. “Zeventien jaar geleden besloten Jan van der Tol en ik – we waren toen samen hoofdredacteur – om artikelen in het Nederlands niet langer te accepteren. Duits en Frans nog wel, maar de hoofdmoot werd Engels.”

Hoe groot precies de invloed is van het Tijdschrift voor Entomologie, is volgens Van Nieukerken moeilijk te zeggen. “We hebben wel eens geprobeerd ons tijdschrift geregistreerd te krijgen bij de Science Citation Index, de officiële hitlijst van wetenschappelijke bladen, maar we kwamen er niet voor in aanmerking. Het is een bekend verhaal onder taxonomen. Citatie-indexen worden berekend aan de hand van recente citaties. Maar zo’n impactfactor werkt niet in de taxonomie. In dit vak worden soorten beschreven, herbeschreven en opnieuw ingedeeld. Dat levert niet veel citaties op, maar kan bijvoorbeeld wel betekenen dat een publicatie 250 jaar na dato nog geciteerd wordt. Wat dat betreft lijkt de taxonomie meer op een historische wetenschap.”

Juist omdat artikelen zo’n lange houdbaarheidsdatum hebben, denkt Van Nieukerken dat de dagen van het papieren tijdschrift geteld zijn. Het Tijdschrift voor Entomologie heeft een papieren oplage van slechts 350 exemplaren – het overgrote deel van de lezers downloadt de artikelen.

“Taxonomische publicaties komen veel beter tot hun recht op internet, omdat ze dan veel makkelijker te doorzoeken zijn. Dat we nog op papier publiceren heeft ermee te maken dat het een eis is van de code voor zoölogische nomenclatuur. Iedere nieuwe soort vereist dus nog papier. Wel zijn we aan het praten hoe het anders zou kunnen.”

Van Nieukerken neemt nu na achttien jaar hoofdredacteurschap afscheid van het tijdschrift. Over de toekomst heeft hij wel ideeën, maar die zullen anderen moeten uitvoeren: “Ik denk aan een vorm van een internetgemeenschap, waar taxonomen elkaars artikelen kunnen aanvullen. Natuurlijk allemaal onder peer review.” Artikelen, normaal geschreven door één of enkele auteurs, worden dan gemeenschappelijke producties die blijven evolueren. “Dat zal een andere manier van citeren vergen, en die nieuwe manier moeten we ons aanwennen.”

Daarnaast is het volgens Van Nieukerken van belang dat ook alle oude taxonomische artikelen ontsloten worden via internet. “Internationale projecten als Biodiversity Heritage Library proberen er alvast een voorschot op te nemen door te proberen zoveel mogelijk taxonomische literatuur online te zetten, zodat deze ook is te doorzoeken. Wij willen daar bij aansluiten en zoeken nog naar financiering om dat ook voor ons tijdschrift te doen.”

De eerste jaargangen van het Tijdschrift voor Entomologie bevatten ook de grondslag van de Nederlandse faunistiek (inventarisatie van de fauna) op het gebied van insecten en spinnen. Later zijn de Nederlandse faunabeschrijvingen grotendeels verhuisd naar het in 1901 opgerichte zustertijdschrift Entomologische Berichten. Sinds 1958 is de experimentele insectenkunde ondergebracht in het tijdschrift Entomologia Experimentalis et Applicata. Wat overbleef was de pure taxonomie.

Volgens Van Nieukerken stelt het tijdschrift tegenwoordig hoge eisen aan de bijdragen. “We zijn heel strikt en vragen vaak om een revisie van de artikelen. Het is heel makkelijk om een manuscript af te wijzen, maar we proberen de auteurs tegemoet te komen met tips voor verbeteringen. Wat ik persoonlijk wil voorkomen is dat auteurs weglopen naar tijdschriften die geen peer review hebben. Daarvan bestaan er in Duitsland en Oost-Europa nog wel een paar.

“Een keer kreeg ik een manuscript waarin een auteur twee nieuwe bijensoorten beschreef, in Turkije en Marokko. Zijn soortbeschrijvingen had hij gemaakt op grond van één exemplaar! Dat is natuurlijk not done, als je helemaal niet kijkt naar afwijkingen binnen een soort of naar het uiterlijk van de ander sekse. Ik heb het afgewezen met de suggestie eerst wat breder onderzoek te doen. Maar bij de tweede versie bleek hij het toch goed te hebben gezien, het waren inderdaad nieuwe soorten. Ditmaal had hij uitgebreide beschrijvingen gemaakt, inclusief keurig verzorgde verspreidingskaartjes.”

Topauteur van het Tijdschrift voor Entomologie is P.C.T. Snellen geweest, die leefde rond de voorlaatste eeuwwisseling. Hij schreef in zijn eentje 189 artikelen, voornamelijk over vlinders. “Snellen heeft zeker duizend nieuwe soorten beschreven. Hij was advocaat, maar stak heel veel van zijn tijd in het bestuderen en beschrijven van vlinders. In die tijd waren het vooral de rijken die zich dit soort liefhebberij konden veroorloven.”

Maar nog altijd zijn er heel veel nieuwe insectensoorten te ontdekken, zegt Van Nieukerken. “Insectendeskundige Jeremy Holloway dook in de collectie van het Museum of National History om een complete beschrijving te maken van de nachtvlinders van Borneo. Het werd zijn levenswerk en hij beschreef sinds 1978 ruim vierduizend soorten. Een kwart daarvan was nieuw. Voor het eerst was er eens iemand goed gaan kijken naar de collectie. Er is nog veel werk te doen.”