Ontroering

De kracht van ontroering, daar gaat het om in de sport.

Ontroering is niet prestatiegebonden. Wat moet je met een hole-in-one?

Schaatsers zijn prachtige atleten, maar ontroerend zijn ze nooit. Daar zijn ze net niet averechts genoeg voor. Ontroering ontstaat uit afwijking en achterkant. Wat zou er aangrijpender zijn dan de achterkant van het circus?

Ontroering is een hitte die niet oproepbaar is. Klaas Jan Huntelaar heeft het niet, Roy Makaay wel. Louis van Gaal dwingt respect af, maar hij ontroert niet.

Bij Dick Advocaat springen de tranen je al in de ogen als hij langs de lijn, in geslepen machteloosheid, uit zijn organen dondert. Noem het de choreografie van het onderhuidse. Het is als bidden: je voelt iets en je weet niet waarom.

Momenten van ontroering dwarrelen nu voor mij uit.

Het meest geraakt, was ik door wielrenner Kai Reus. De belofte was in de Franse Alpen om te trainen. Zijn vriendin was er ook.

Het was mooi weer. Een gezellige klim. Hij viel en bleef elf dagen in een coma hangen. Er werd gevreesd voor zijn leven. Toen kwam het bericht dat Kai het zou redden, ja dat hij zelfs weer zou fietsen. Misschien zien we hem straks wel in de voorjaarsklassiekers, of toch in Parijs-Nice.

Ontroerend was het moment toen Theo de Rooij de uitsluiting van Michael Rasmussen in de Tour de France toelichtte.

Ik dacht nog: waarom zoveel woorden besteden aan een tricheur met het charisma van een uitgewoonde dakgoot? Maar Theo bleef stoïcijns stotteren, in drie talen. Zwalkend in de kromste zinnen. Doodsbleek.

De manager stond er alleen voor. Op die eenzaamheid was hij niet berekend. De Rooij praatte zichzelf het graf in dat anderen hadden gedolven. De hogere klasse van Rabobank hield zich in stugge schijnheiligheid opgeborgen in de eigen bankkluizen. Nog steeds, trouwens. Uiteraard zweeg Joop Atsma in alle talen.

Het mislukte afscheid van Michael Boogerd greep ook naar de keel. Voor zijn laatste wedstrijd, de Ronde van Lombardije, had hij zich suf getraind. Maar op het moment suprême lag hij, thuis in Kapellen, uitgeteld op de bank met een zeer been. Geen afscheid op niveau dus.

Nog treuriger: een dag na de Ronde, werd hij op de Cauberg door een dubieus gezelschap gejonast. Michael was kermisnar van zijn succes geworden.

Over afscheid gesproken: de beelden van Jaap Stam op zijn ultieme persconferentie waren pakkend. Jaap was nog diep in de rouw voor zijn overleden vader. Toch in zondagspak, met das, want dat moest van Ajax.

In zinnen van gehakt stro zei de mandekker dat hij dankbaar was voor zijn mooie leven als voetballer. Maar nu was het op. Hij kon het ritme van zijn ambitie niet meer aan. „En dan moet je wegwezen.”

Met een half mislukt wuifgebaar nam hij afscheid van de pers – niet echt zijn vrienden. Vervolgens liep hij weg: sneeuwman op zolen. Hoog in de rug geknakt. Die achterkant van Jaap Stam, waaruit geluk als vervulling van een jongensdroom helemaal was weggetrokken, zal ik voor de rest van mijn dagen als in brons gegoten herinneren en bewaren.

Van eenzelfde orde is de ontroering die ik voor Jan Wouters koester. Noordenwind in trainingspak, te gevoelig voor het exhibitionisme van een glimlach. Jan Wouters: de lijdende kerk van PSV. En ik weet hoe lief hij is, hoe verweesd en hoe gekwetst. Toch hoofdverpleger gebleven van een club die alleen maar geld en carnaval in zich draagt.

Ik heb hem, per week, krijtwitter zien worden. Nooit nog zal er in het Nederlandse voetbal een getuige komen die zo oprecht en machteloos de schofterigheid van schijn en wezen belichaamt. Elke keer als ik in het gelaat van Jan keek, zag ik hoe schraal menselijke verhoudingen zijn in het wereldje van bal en man.

Wie redt Jan Wouters nog van de kou die hem, Philipsgewijs, heeft versteend tot grimas? Wie maakt hem weer rond en antiek zoals vroeger? Ook nog in een dialect van melancholie?

Sef Vergoossen heeft een hogere opdracht dan van PSV een kampioensploeg te maken. Sef moet, tegen de gluiperige warmte van PSV in, het ijs van een mens kraken. IJs van een door hogere machten tot wrat gedegradeerde seigneur. Waarop wacht je, Sef?

Sommige ontroeringen zijn hoopvol. Dat Foeke Booy weer in het land is, maakt mij blij. Eindelijk een echte Hollandse kop op de velden. Met Mondriaanrug, met ogen van azuurblauw, en verder melkwit van lijf en leden. Van woord en gebaar.

Wel met de mooiste naam die de Elfstedentocht zich zou kunnen wensen: Foeke. Oh, Foeke!