‘Nu ga ik op zoek naar een baan’

Elk jaar stappen tienduizenden Afrikanen in gammele bootjes naar Europa. Ibrahim uit Kameroen werkt nu in Spanje. „Wie wat wil bereiken, moet risico’s nemen.”

Ibrahim Mohaman Hadji voor zijn oversteek naar Europa Foto Gerbert van der Aa Aa, Gerbert van der

Houten kano’s, geschilderd in bonte kleuren, zijn het vervoermiddel. Een oude buitenboordmotor zorgt voor de aandrijving. In Nouadibou, een havenplaats in het West-Afrikaanse Mauretanië, gaan bijna dagelijks Afrikanen in gammele bootjes de Atlantische Oceaan op om illegaal naar de Canarische Eilanden te varen. Ook Ibrahim Mohaman Hadji uit Kameroen had dat plan. „Het probleem is dat ik niet genoeg geld heb”, zei de 29-jarige Ibrahim, toen ik hem een jaar geleden in Nouadibou ontmoette. Afrikanen betalen in Mauretanië aan mensensmokkelaars ongeveer zeshonderd euro voor de overtocht.

Ik ontmoette de lange gespierde Ibrahim bij toeval op straat. Via een Mauretaanse kennis, die hem inhuurde om een motor uit een auto te tillen, raakten we aan de praat. Meestal stond Ibrahim in Nouadibou op een vaste plek langs de weg te wachten op werk. Voor zijn voeten lag een kwast, zodat potentiële werkgevers direct konden zien wat zijn specialiteit was. Andere klusjes nam hij ook aan. Stukje bij beetje scharrelde hij zo het geld bij elkaar voor de overtocht.

Ibrahim, die elke keer als ik hem tegenkwam dezelfde blauw-grijze puntmuts droeg, vertelde dat hij naar Mauretanië was gereisd nadat hij op internet verhalen had gelezen over de Afrikanen die er in waren geslaagd van daaruit de Canarische Eilanden te bereiken. Het was zijn tweede poging. Een eerdere poging was mislukt omdat de boot was gaan lekken, waarna de groep strandde aan de kust van Marokko en in zijn geheel naar Senegal was gedeporteerd. De kans dat zijn nieuwe poging weer zou falen, was volgens Ibrahim klein. „Negentig procent van de boten komt veilig aan”, zo beweerde hij. Hij wist dat er regelmatig migranten onderweg verdronken. „Wie wat wil bereiken in het leven, moet risico’s nemen.”

Ik sprak met Ibrahim af contact te houden. Hij had een e-mailadres en bezocht regelmatig een internetcafé in Nouadibou. „Misschien kan ik je opzoeken als ik in Nederland ben”, zei hij goedgemutst.

Al snel na terugkomst in Nederland vond ik een bericht van Ibrahim in mijn mailbox. „Binnenkort gaat het gebeuren”, liet hij weten. Hij had inmiddels een plaats gereserveerd in een grote houten vissersboot. „Ik kom nog honderd euro te kort” schreef hij. „Zou jij misschien zo goed willen zijn om het ontbrekende geld op te sturen? Als je het vandaag overboekt, heb ik het morgen.”

Ik besloot niet op Ibrahims verzoek in te gaan. Toen ik in Nouadibou was had ik hem al vijftig euro gegeven. Ik wilde hem best helpen om naar Europa te komen, ook al werd ik daardoor medeplichtig aan de risico’s die hij nam. Maar ik vond dat hij maar even voor zichzelf moest zorgen.

Ibrahim schreef dat hij druk bezig was met de voorbereidingen voor de reis. Zijn paspoort en ander identiteitspapieren zou hij achterlaten bij een vriend in Nouadibou. Alle migranten weten dat ze bij aankomst op de Canarische Eilanden vastgezet worden in een opvangcentrum, waarna de lokale autoriteiten hen gaan ondervragen. Als die er achter komen waar de migrant vandaan komt, wordt hij of zij teruggestuurd. „De truc is om op geen enkele vraag antwoord te geven”, wist Ibrahim. „Als ze na veertig dagen je nationaliteit nog steeds niet weten, word je overgebracht naar het Spaanse vasteland en vrijgelaten. Dat is mijn doel.”

De Mauretaanse overheid, zo schreef Ibrahim, legt de illegale migranten weinig in de weg. Hij beweerde dat diverse overheidsdienaren betrokken zijn bij de mensensmokkel. In ruil voor smeergeld knijpen ze een oogje dicht.

Al meer dan twee jaar was Ibrahim onderweg naar Europa. Vanuit de Kameroenese hoofstad Yaoundé was hij eerst over land naar Algerije gereisd achterin pick-ups en in aftandse bussen. Zijn doel waren de Spaanse enclaves Melilla of Ceuta in Marokko. Maar zover kwam Ibrahim niet. Al in Algerije werd hij gearresteerd omdat hij zonder visum reisde. „In een open vrachtwagen ben ik toen samen met meer dan honderd andere illegalen gedeporteerd naar de grens met Mali.” Eenmaal in Mali hoorde Ibrahim over de nieuwe route vanuit Mauretanië.

Na maanden stilte kreeg ik eindelijk weer eens een bericht van Ibrahim. „Ik heb het gehaald”, schreef hij. „Ben nu in Barcelona.” Ik feliciteerde hem. De boot met buitenboordmotor, waar hij in Nouadibou was ingestapt, had hem veilig naar de Canarische Eilanden gebracht. „We waren met 59 personen aan boord. Met een GPS systeem zochten we onze route, totdat we na vijf dagen in de verte de lichtjes van Tenerife zagen.” De reis was niet helmaal vlekkeloos verlopen. „We hadden te weinig water en voedsel aan boord. De overtocht had niet veel langer moeten duren.”

Op Tenerife werden de gelukszoekers in een opvangcentrum gestopt, waar ze volgens Ibrahim uitstekend verzorgd werden. Na zes dagen werden ze overgeplaatst naar Fuertaventura. Ze mochten het centrum niet uit en konden niet telefoneren of internetten, maar er waren wel warme kleren, een bed en drie maaltijden per dag. Veertig dagen lang had hij zijn identiteit geheim weten te houden, waarna hij was overgebracht naar het Spaanse vasteland en vrijgelaten. Alles was gelopen volgens plan.

„Nu ga ik op zoek naar een baan”, liet Ibrahim weten. Hij hoopte net als in Mauretanië als schilder aan de slag te kunnen. Als dat niet lukte, zou hij misschien tomaten kunnen plukken of als sjouwer werken in de bouw. „Ik pak alles aan.”

Ibrahim had wat adressen van Afrikaanse immigranten in Spanje. „Alle Afrikanen hier helpen elkaar”, schreef Ibrahim. Aan het eind van de e-mail vroeg hij of ik hem de foto van ons samen kon sturen die we in Nouadibou hadden gemaakt. „Als souvenir.”

Toen ik een paar weken later contact zocht met Ibrahim, bleek hij inmiddels in Lerida te zitten. Daar woonde hij in huis bij een Senegalees, die een paar jaar geleden illegaal naar Spanje was gekomen maar inmiddels tijdens een van de generale pardons een legale status had gekregen. Ibrahim schreef dat hij verwachtte ook zo’n status te kunnen krijgen. Hij had zijn paspoort inmiddels laten opsturen uit Mauretanië, want dat had hij nodig voor zijn legalisering.

Het leven in Spanje viel niet mee, schreef Ibrahim. Hij was nu een half jaar in het land maar had nog steeds geen vast werk. „Ik heb een tijd gewerkt als metselaar, maar ben nu weer werkloos.”

Inmiddels zit Ibrahim in de Zuid-Spaanse stad Granada. Het zoeken naar een vaste baan in Lerida is niet gelukt. Hij heeft zich gemeld bij een hulporganisatie die illegalen opvangt. Daar krijgt hij onder meer Spaanse les, waardoor hij hoopt makkelijker een baan te vinden. Nog steeds stuurt Ibrahim me geregeld e-mails waarin hij om geld vraagt. Twee weken geleden heb ik hem vijfenzeventig euro gestuurd. Zijn vriend Samba Seck haalde het voor hem op bij Western Union. Zelfs kan hij daar niet terecht omdat hij geen geldige papieren heeft. Van het geld kocht hij een mobiele telefoon. Afgelopen weekend had ik hem voor het eerst aan de lijn. „Alles is goed”, liet hij weten. „Er is geen enkel probleem.”