Neurowetenschappers tegenover juristen?

De laatste tijd wordt de suggestie gewekt dat toenemende kennis over het functioneren van de hersenen, waaronder de invloed van genen, problemen zou veroorzaken voor het strafrecht. Wanneer natuurwetenschappelijk aantoonbaar zou zijn hoe bepaald gedrag noodzakelijkerwijs voortvloeit uit de fysieke aanleg van de dader, zou de veronderstelling van de vrije wil onhoudbaar zijn. Daarmee zou ook de verwijtbaarheid van de dader en daarmee de rechtvaardiging van straf zijn weerlegd. Ik kan deze redenering niet volgen. Zelfs wanneer men zou uitgaan van een volstrekt determinisme, behoudt het strafrecht zijn functie en rechtvaardiging. Het recht beoogt de samenleving te ordenen. Het strafrecht draagt daaraan bij door de afschrikkende werking van straf, het tijdelijk verwijderen van de dader uit de samenleving en het duidelijk maken van de niet-toelaatbaarheid van dergelijk handelen.

Al deze functies blijven gediend, ook al zou de dader geen verwijt treffen. De meeste mensen hebben immers dankzij een gezonde genetische aanleg een redelijk inzicht in de mogelijke gevolgen van hun handelen. Het strafrecht voorspelt hun dat bepaalde handelingen het risico van straf tot gevolg hebben. Deze prikkel op het gezonde verstand kan ertoe leiden daarom af te zien van de strafbaar gestelde gedraging. Slechts wanneer andere sterkere motieven aanwezig zijn, zullen zij tot dergelijk gedrag komen.

Strafbaarstelling reduceert dus het aantal strafbaar gestelde gedragingen tot situaties waarin een sterker ander motief overheerst. Dit alles geldt ongeacht de vraag of de prikkel wel of niet te handelen genetisch, pathologisch of anderszins is gedetermineerd.De vraag naar de vrije wil is dus juridisch irrelevant.