Land vol schildpadden

Waar veel etnische groepen samenleven, vertrouwen mensen hun buren minder. Zegt de Amerikaanse socioloog Robert Putnam. Maar het is de vraag of dat voor Nederland opgaat. Anja Vink

Robert Putnam foto harvard university Harvard University News Office

Robert Putnam (66) was deze zomer uitgenodigd voor een diner op Buckingham Palace. Bij die gelegenheid vroeg koningin Elisabeth hem wat het Britse vorstenhuis zou kunnen bijdragen aan de integratie van minderheden. Waarop Putnam antwoordde dat het veel zou betekenen voor die integratie als een van de prinsen een Bengaalse zou huwen. Er volgde een ijzige stilte. Putnam, lachend: “Het was duidelijk niet het antwoord dat ze wilde horen en nog een brug te ver voor het koningshuis.” Het zou ook als bevestiging kunnen gelden voor de ‘schildpadreactie’ die Putnam in zijn meest recente onderzoek heeft gevonden.

Putnam is een druk bezet man. Hij is kind aan huis bij zowel de Clintons als de familie Bush en adviseur van de voormalige Brits premier Blair en zijn opvolger Brown. Daarnaast prikt hij ook wel eens een vorkje met de Democratische presidentskandidaat Barack Obama. Een afspraak voor een interview wordt twee keer afgezegd: één keer vanwege een lunch met mevrouw Bush. Als het interview uiteindelijk doorgaat, halen we hem op bij zijn huis in koloniale stijl in het Amerikaanse Cambridge, waar hij hoogleraar is aan Harvard University. Het gesprek vindt plaats in een taxi op weg naar Boston – voor een volgende lezing.

Putnam publiceerde begin juli een geruchtmakend artikel in het tijdschrift Scandinavian political studies. In een groot onderzoek onder 30.000 Amerikanen uit veertig verschillende gemeenschappen in de Verenigde Staten kwamen Putnam en zijn collega-onderzoekers tot deze conclusie: hoe groter de etnische diversiteit in een gemeenschap, des te lager is het vertrouwen in de medemens en met name in de buren, van welke etnische origine dan ook. Putnam: “Mensen worden allemaal als schildpadden. Ze trekken zich terug in hun huis en isoleren zich. Hun sociale kapitaal in de vorm van gevoelens van veiligheid, vertrouwen in elkaar en in de overheid, van vriendschappen, gaat achteruit.”

tijdelijk gedrag

Maar, vervolgt hij, “er is hoop na deze sombere boodschap, want het is tijdelijk gedrag. Er zijn wel degelijk etnisch diverse gemeenschappen waar mensen zich niet als schildpadden gedragen.” Als voorbeeld noemt Putnam het Amerikaanse leger, scholen met etnisch gemengde populaties en de nieuwe evangelische megakerken in de VS. Putnam, die zelf is overgegaan tot het joodse geloof en nadrukkelijk zegt dat hij niets met deze kerken heeft, ging er een kijkje nemen. Hij zag in een voetbalstadion mensen van alle etnische groepen naast elkaar zitten en elkaar de hand reiken tijdens de dienst. Putnam: “Martin Luther King zei ooit dat zondagochtend tien uur het meeste gesegregeerde moment is in de VS: iedere etnische groepering heeft zijn eigen kerk. Maar klaarblijkelijk hebben deze nieuwe kerkgemeenschappen die brug wél kunnen slaan. Geloof is hier belangrijker dan etniciteit. Het is een gemeenschappelijke noemer die mensen duidelijk sociaal kapitaal oplevert. Binnen deze geloofsgemeenschap helpen mensen elkaar waar ze kunnen met banen, oppas voor hun kinderen en hulp bij een verhuizing.” Putnam noemt dat

Putnam vindt zijn visie helemaal niet negatief: “Groepen van nieuwkomers vallen in het begin sterk op zichzelf terug en dat hebben ze ook nodig om de stap naar de nieuwe samenleving te maken. De stap naar ‘bridging’ wordt pas gemaakt wanneer het resultaat van ‘bonding’ sterk genoeg is. Ook oude groeperingen doen aan ‘bonding’. Het wordt pas negatief als het daarbij blijft en mensen niet de stap buiten de groep maken. Daarmee kunnen ze namelijk weer nieuw sociaal kapitaal aanboren.”

De socioloog Putnam werd bekend met zijn lijvige werk Bowling alone (2000), waarin hij de teloorgang van het Amerikaanse verenigingsleven beschrijft. Door die teloorgang, zo beweerde Putnam, boette de Amerikaanse samenleving als geheel in aan sociaal kapitaal. Sociaal kapitaal staat hier voor gevoelens van veiligheid, verbondenheid en vertrouwen in een samenleving. Het verhaal van de eenzame kegelaar sprak veel mensen aan. Maar het leverde Putnam ook kritiek uit wetenschappelijke hoek op over het begrip sociaal kapitaal. Want Putnam gaf dat begrip een heel eigen betekenis. Sociaal kapitaal als een individueel kenmerk stond voor relaties met individuele mensen in een gemeenschap, die van belang zijn voor iemands positie in een maatschappij. Putnam paste het begrip echter toe op hele gemeenschappen. En zo werd (individueel) sociaal kapitaal zoiets als sociale cohesie. En dat was voor vele wetenschappers te kort door de bocht.

Putnam trok zich de kritiek aan. Hij begon in 2001 een onderzoek naar het sociale cement in gemeenschappen in de vorm van individuele kenmerken als vertrouwen in de buren, politieke betrokkenheid en vrijwilligerswerk. Dat onderzoek leverde echter een conclusie op waar Putnam zelf van schrok. De toename van etnische diversiteit in een gemeenschap, zo stelde hij vast, leidt tot vermindering van individueel sociaal kapitaal. Het duurde een jaar voordat Putnam zijn bevindingen publiceerde. Dat deed hij deze zomer dus pas, nadat hij de Skytte prijs van de Nordic Political Science Association kreeg uitgereikt voor zijn ideeën over sociaal kapitaal. Belangrijkste reden voor het uitstel was dat Putnam ook oplossingen wilde aandragen. Want hij vreesde uit conservatieve hoek bijval te krijgen in de geest van: ‘zie je wel, de multiculturele samenleving werkt niet.’

Peer Scheepers, hoogleraar in de methoden en technieken van de maatschappijwetenschappen aan de Nijmeegse Radboud Universiteit, zat al lang vol spanning te wachten op de aangekondigde uitkomsten van Putnams onderzoek. Toen hij uiteindelijk het resultaat onder ogen kreeg, was hij teleurgesteld. Scheepers heeft, samen met zijn collega’s Maurice Gesthuizen en Tom van der Meer, al een reactie geschreven voor Scandinavian Political Studies, maar publicatie laat nog op zich wachten. Scheepers’ grootste kritiek, is dat Putnam helemaal niet aannemelijk maakt dat etnische diversiteit de belangrijkste factor is die maakt dat mensen zich terugtrekken. “Er zijn een heleboel factoren, onder meer sociaal-economische, die van groot belang zijn en dat kun je ook opmaken uit Putnams onderzoek. Dat geeft hij zelf toe, maar vervolgens trekt hij algemene conclusies over etnische diversiteit die hij op basis van zijn eigen onderzoek niet kan trekken.”

oostblok

Uit het onderzoek van de Nijmeegse wetenschappers naar het sociaal kapitaal van Europeanen blijkt dat de rol van etnische diversiteit heel beperkt is. Zij komen tot de conclusie dat inkomensongelijkheid in Europese landen mensen ervan weerhoudt om vrijwilligerswerk te doen en dat het leven in een langdurige stabiele democratie mensen juist aanmoedigt om zich voor elkaar in te zetten. Het is dan ook niet vreemd dat Nederland één van de landen met het grootste sociale kapitaal per inwoner is. Het schildpaddengedrag dat Putnam ontdekte heeft Scheepers wel gevonden in de landen van het voormalige Oostblok. Dat hangt alleen niet samen met etnische diversiteit, maar vooral met sociaal-economische factoren en een nog maar kortdurende democratische traditie. Scheepers: “Mensen in die voormalige communistische landen herinneren zich de zogenoemde vrijwilligersorganisaties veeleer als organisaties van de overheid waarmee deze probeerde vat te houden op het leven van de onderdanen.”

vrouwen

Dé vraag aan Putnam zelf is dus of zijn verhaal ook opgaat voor Nederland en Europa. En daar wordt hij zeer voorzichtig. Niet omdat hij in twijfel trekt dat zijn bevinding ook voor Europa opgaat, maar omdat hij volgens eigen zeggen te weinig over Nederland weet. Sinds kort is Putnam ook gasthoogleraar aan Manchester University, waarmee Harvard University een groot onderzoek uitvoert naar de verandering van sociaal kapitaal door bijvoorbeeld de instroom van etnische groepen, maar ook de deelname van vrouwen aan de arbeidsmarkt. Putnam haalt voor Nederland het onlangs verschenen onderzoek

Volgens Putnam is er in Nederland teveel gekeken naar ‘bonding capital’: “Zolang migranten zich maar in eigen kring zouden emanciperen zou het wel voor elkaar komen, mits de verschillende bevolkingsgroepen elkaars cultuur zouden accepteren als gelijkwaardig.” Er is, zegt Putnam, in Nederland te weinig gekeken naar gemeenschappelijke waarden, waarmee mensen een brug kunnen slaan tussen verschillende culturen.

Putnam noemt als voorbeeld de ‘hyphenated identity’, de identiteit met een koppelteken: “Je kunt Italiaan zijn maar ook Amerikaan, een zogenaamde Italo-Amerikaan. Dat verschijnsel lijkt afwezig in Nederland, althans onvoldoende ontwikkeld. Ik weet dat Nederlanders een grote afkeer hebben van gezamenlijk eerbetoon aan de vlag, zoals in Amerika gebeurt. Maar dat is er niet voor niets gekomen. Dat diende om de migranten die aan het begin van de vorige eeuw naar de VS kwamen te verenigen onder één noemer. Het waren overigens de socialisten en niet nationalisten die de traditie van de vlag invoerden. Mijn grootvader, die afstamde van een oud Amerikaans geslacht en in de burgeroorlog heeft gevochten, zat destijds ook niet te wachten op al die Ieren en Italianen. Die werden toen ook gezien als een andere ras met eigenschappen die de toen autochtone Amerikanen vreemd waren. Nederland zal ook op zoek moeten naar dergelijke symbolen. Dat hoeft echt geen vlag of een volkslied te zijn, maar het moet iets zijn waar iedereen zich bij betrokken voelt.”

Voor een deel onderschrijft Louk Hagendoorn, hoogleraar sociale wetenschappen, die conclusie, maar hij heeft ook een paar kanttekeningen bij Putnams onderzoek. Hagendoorn: “Wat wij in Nederland en Europa niet graag onder ogen zien is dat hier, in tegenstelling tot de VS, veel arme immigranten wonen. Immigranten in de VS daarentegen zijn vaak hoogopgeleid. De sociaal-economische factoren zijn in Nederland dus belangrijker dan de etnische factoren waarop Putnam zich concentreert. Het is dus maar de vraag of het de etnische diversiteit is die hier het maatschappelijk vertrouwen ondermijnt, zoals Putnam voor de VS vindt.”

Het opvallende aan de publicatie van Hagendoorn en Sniderman, waaraan Putnam refereert, is dat het onderzoek heeft plaatsgevonden in 1998, vóór de aanslag op de Twin Towers van het World Trade Center op 11 september 2001. Hamvraag van het onderzoek was of een door de overheid gestimuleerde acceptatie van de multiculturele samenleving een positiever beeld oplevert van het samenleven van verschillende culturen. Hagendoorn en Sniderman kwamen tot een negatief antwoord.

Hagendoorn: “Ik geloof wél dat het beleid van multiculturalisme de verhoudingen – onbedoeld – eerder slechter dan beter heeft gemaakt. De acceptatie van etnische diversiteit bleek in ons onderzoek een dun laagje vernis, dat er makkelijk af te krabben was met doorvragen. De reactie van mensen wordt sterk bepaald door de sociale context. Mensen die niet sterk gehecht waren aan de Nederlandse identiteit bleken daar opeens wel aan te hechten en reageerden veel negatiever op andere groepen als we ze niet als persoon aanspraken maar als ‘Nederlander’.

“Men trekt zich naar mijn idee niet zozeer terug in zijn schulp, maar praat elkaar na. Dat men dat doet is een teken dat men zich nog niet uit de samenleving heeft teruggetrokken. Met die factor heeft Putnam weinig rekening gehouden. Daarbij is het niet duidelijk wat de vragen die Putnam heeft gesteld over vertrouwen precies betekenen. Die betroffen in het gepubliceerde stuk namelijk alleen buren. Maar in de VS heeft het woord ‘neighbour’ een andere betekenis dan het Nederlandse ‘buren’. Neighbour is degene die pal naast je woont en buren in Nederland zijn alle mensen die in de buurt wonen. Dat je niet veel praat met mensen naast je wil nog niet zeggen dat je het vertrouwen in de samenleving hebt verloren.”