‘In hun ogen haal ik het vak naar beneden’

‘Ze zeggen: je moet het niet tandarts worden, het is onverstandig, het is zo’n zwaar beroep, het is slecht voor je lichaam’ Foto Bram Budel Edith Smeets volgt een opleiding om tandarts te worden aan het ACTA (Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam), ze wordt van allerlei kanten tegengewerkt omdat ze in een rolstoel zit. Voor 'het verhaal van' 29 dec. FOTO: BRAM BUDEL Budel, Bram

‘Eén keer per maand overleg ik met de onderwijsdirectrice van het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA) en de studentendecaan van de VU. Onlangs zat de directeur van het ACTA erbij. Hem werd medegedeeld dat ze voor de volgende periode op zoek waren naar een docent die ‘kleurloos’ naar mij zou kijken. Iemand die niet dacht: ‘Goh wat erg voor haar’, maar ook niet: ‘Wat knap dat zij dit doet’. Hij vroeg: ‘Hoezo kleurloos? Zijn er dan mensen op de universiteit die negatief tegen mevrouw Smeets aan kijken?’ Toen hoorde ik: ‘Inderdaad menen sommigen dat zij het vak naar beneden haalt.’ Die opmerking hakte er enorm bij me in.

Ik ben derdejaars student tandheelkunde aan de VU en wil een heel goede tandarts worden. Velen vinden dat belachelijk: mensen van de universiteit, arbeidsdeskundigen, zelfs een vriendin van mij die tandarts is. Ze zeggen: je moet het niet doen, het is onverstandig, het is zo’n zwaar beroep, het is slecht voor je lichaam. Allemaal waar, maar als ik dat hoor, word ik nog strijdvaardiger. Ik heb twee jaar gezwoegd om aan de toelatingseisen te voldoen. Door de studie zit ik nu al tweeënhalf jaar op bijstandsniveau. Ik studeer snoeihard. Geen haar op mijn hoofd die er over denkt te stoppen.

Sinds 1995 zit ik in een rolstoel. Ik was met een vriendin in Mexico op vakantie. We hadden gegeten in een restaurant, daar ontmoetten we twee Amerikanen. We gingen met hen een weddenschap aan wie de grootste vlag kon stelen. Na het diner liep ik met mijn vriendin over straat en zag op een plein een grote staatsvlag van Mexico op een sokkel staan. Ik loop een trap op, maak het touw los en laat de vlag vieren. Aan de vlag hing een contragewicht, waardoor het zo zwaar werd dat ik los moest laten. Het gewicht kwam naar beneden – gelukkig schampte het alleen mijn hoofd, anders had ik hier niet gezeten – en de vlag viel naar beneden. Daardoor verloor ik mijn evenwicht, viel achterover en kwakte met mijn rug op de trap.

Hoewel ik meteen door had dat het niet goed zat, ik kon mijn benen niet bewegen, was ik heel helder in mijn hoofd. Ik had altijd tegen iedereen gezegd dat ik nog twee dingen in mijn leven wilde doen: met dolfijnen zwemmen en een totale massage krijgen. Beide had ik een paar dagen daarvoor in Mexico gedaan en nu was mijn eerste gedachte: dat kunnen ze niet meer van me afpakken.

In Mexico heb ik vier weken op de intensive care gelegen. Tien ribben, een arm en beide schouders waren gebroken. Bovendien had ik een klaplong en een dwarslaesie. De artsen hebben me fantastisch geholpen, maar ik had het idee: in Mexico zijn ze nog niet zover, pas als ik in Nederland kom, gaat de behandeling echt beginnen. In het ziekenhuis in Hilversum kwam een arts naar me toe. Hij deed ‘klop, klop, tik, tik’ en zei: nee, je kunt nooit meer lopen. Ik heb in Mexico niet gehuild, dat mocht ik niet van mezelf, maar toen ik dat hoorde, stortte ik in. Dat kwam misschien ook door die man: hij was ijskoud, zag mijn verdriet en liep zonder iets te zeggen weg. Die wilde ik nooit meer aan mijn bed hebben.

De eerste dag dacht ik: als ik niet meer kan lopen, wil ik dood. Maar die gedachte ging snel uit mijn hoofd. Ik wilde ondanks alles door en heb maanden gerevalideerd. Toen ik in het revalidatiecentrum voor het eerst in een rolstoel ging zitten, was mijn zus erbij. Die zag het, begon te huilen en kon niet meer stoppen. Ik dacht dat ik het inmiddels wél had geaccepteerd, maar in het begin schaamde ik me dood en wilde ik niet naar buiten. Er ging soms een groep rolstoelers gezamenlijk naar het park. Ik vond het kneuzen, mislukkelingen, wilde niets men hen te maken hebben. Ik trok letterlijk het gordijn om me heen. Maar na verloop van tijd moest ik ook de wereld in, ik kon niet anders.

Ik ben in die tijd voor honderd procent afgekeurd, wat ik grote onzin vond. Ik wilde dat per se niet en heb alles gedaan om mijn oude beroep van mondhygiëniste weer op te pakken. Dat is me ook gelukt. Het moeilijkst vond ik om een patiënt uit de wachtkamer halen. Het moment dat ik in mijn rolstoel de deur opendeed en moest zeggen: ‘Komt u mee?’ Blijkbaar kende ik toch nog schaamte of angst. Een aantal jaren heb ik vier dagen in de week zeven uur gewerkt. Toch gaf het me uiteindelijk te weinig voldoening. Op een maandagavond lag ik in bed en dacht: wat wil ik nog met mijn leven? Ik had altijd gezegd dat ik tandarts wilde worden, maar door het ongeluk was die ambitie verdwenen. Op dat moment wist ik het opeens zeker: ik word tandarts.

De studie vind ik geweldig, maar ik merk dat de kritische houding van het ACTA mij ontmoedigt: het zou hygiënisch niet verantwoord zijn, er zouden aanpassingen moeten komen voor tienduizenden euro’s, ik zou in nood nooit patiënten kunnen reanimeren. Ook zijn diverse ergonomen en een arbeidsdeskundige langs gekomen. Ze hadden allen dezelfde boodschap: we hebben twijfels of u tandarts kunt worden. Ik heb het allemaal weerlegd en dacht op een gegeven moment: laat mij toch gewoon studeren, het is toch mijn beslissing. Maar zo is het dus niet.

Een half jaar geleden kwam weer een deskundige langs. Hij schreef een negatief rapport: ik zou onmogelijk patiënten kunnen behandelen. Ik was het er niet mee eens, maar de directrice zei: ‘We kunnen niet advies aan iemand vragen en er dan niets mee doen’. Toen ben ik boos geworden. Ik heb gezegd: ‘Ik heb laten zien dat ik het wel kan. Ik heb vier dagen per week als mondhygiëniste gewerkt en nu mag ik nog niet eens één patiënt behandelen’. De directie zei: ‘Voor ons is het ook nieuw’. Dat begrijp ik. Ik snap ook dat het voor hen moeilijk is: ik ben een lastpak, ze moeten veel voor mij doen, er moeten aanpassingen komen, het kost extra geld.

De vraag waar het om draait is: hoe ver moet een onderwijsinstelling gaan om iemand met een handicap te laten studeren? Daar heb ik het antwoord niet op. Ik weet wel dat ik net als andere studenten recht heb op goede scholing. En ik ben het ACTA ook dankbaar: er zijn aanpassingen gekomen en medewerkers steunen me. Op dit moment lig ik in een revalidatiecentrum om te herstellen van een doorligplek en de afgelopen weken is een docent al zes keer bij me langs geweest om artikelen te brengen die ik moet bestuderen voor een scriptie.

Ik denk niet: waarom moest mij dit overkomen? Het leven is nu eenmaal niet risicoloos. Ik heb verdriet gehad, maar ben ook weer gewoon verliefd geworden, ik ga gewoon weer uit – ik heb nog nooit zoveel aandacht in de disco gekregen – en ga gewoon weer op vakantie. De doorligplek die ik nu heb, heb ik opgedaan tijdens een weekje zon in Turkije. Daardoor heb ik wat vertraging opgelopen met de studie. Ook moet ik de toets voor kroonomslijpingen nog herkansen. Maar daar zal ik voor slagen. Dat weet ik, dat voel ik en dat moet ik, want zoals ik ooit met dolfijnen heb gezwommen, zo zal ik ook eens een praktijk als tandarts beginnen.”

Gevraagd om commentaar reageert Marjoke Vervoorn, directeur onderwijs ACTA, als volgt: „Wij zijn inderdaad kritisch. Onze aanname was dat het voor een student in een rolstoel vrijwel onmogelijk is de opleiding tandheelkunde te volgen. Maar Edith Smeets laat zien wat onwaarschijnlijk is en verlegt ook voor ons grenzen. Zolang zij aan de eisen blijft voldoen, ligt de beslissing om met de opleiding door te gaan bij haarzelf.”