Ik schrijf, jij leest

Scholieren leren beter schrijven als ze óók beter leren lezen. Niet alleen bij Nederlands, maar bij alle vakken.Jacqueline Kuijpers

Scholieren van nu worden doodgegooid met teksten. Teksten om te lezen, maar vooral om te schrijven. De twee meest gehanteerde strategieën daarbij zijn: van linksboven naar rechtsonder je vel volschrijven; of kop, midden en staart van internet plukken en middels het betere knip- en plakwerk aan elkaar lijmen. Voilà, opdracht klaar.

Dat is, lichtelijk gechargeerd, de praktijk in de gemiddelde schoolklas, vertelt Piet-Hein van de Ven, Universitair Hoofddocent Vakdidactiek bij het Instituut voor Leraar en School (ILS) van de Radboud Universiteit in Nijmegen. “En leraren hebben te weinig tijd, of teveel leerlingen, om er goed commentaar op te geven.”

Hij vindt dat jammer. “Want als scholieren toch zoveel teksten moeten schrijven, kunnen ze beter al doende hun schrijfvaardigheid verbeteren.” Met dat doel is dit schooljaar, met steun van het ILS, het Lees- en Schrijfcentrum (LenS) opgericht op het Montessori College in Nijmegen.

Het is maandagochtend. De 16-koppige redactie van de schoolkrant vergadert in het LenS. Onder begeleiding van twee gepensioneerde docenten Nederlands nemen de leerlingen de columns door die ze geschreven hebben. Dat doen ze in tweetallen: tutor en tutee. Het is één van de pijlers van de schrijfdidactiek, vertelt Anne-Marie van de Wiel, docente Nederlands en initiatiefneemster van het LenS. “Je geeft de schrijver een lezer. De tutor is geen corrector, maar hij of zij laat de schrijver, door gerichte vragen te stellen, met afstand kijken naar zijn tekst, zodat deze mogelijke verbeteringen ziet.”

Sophie (14, 3 vwo) is vandaag de tutor van Jan (16, 5 vwo). Hij vindt zijn column over de hippiegeest die in iedereen huist een ‘krachtige’ tekst, vertelt hij. Sophie brengt daar tegenin dat ze struikelt over lange zinnen. Wat de hoofdgedachte is van de tekst, wil Sophie weten, en waar hij die verwoordt heeft. Al lezende ziet Jan dat de hoofdgedachte op drie plaatsen herhaald wordt. “Dat zijn verbeterpunten”, mompelt hij.

Sophie en Jan hebben allebei de opleiding tot ‘tutor’ gevolgd aan het LenS. Leerlingen die moeite hebben met teksten, kunnen hun hulp inroepen. “Wij zien als docenten dat dat echt werkt”, zegt Van de Wiel. “Leerlingen beginnen niet langer zomaar te schrijven, ze maken een bouwplan. Ze zijn meer publieksgericht en brengen betere samenhang aan in de tekst. Het niveau gaat echt omhoog.”

Jan vindt zijn nieuw verworven vaardigheden eigenlijk alleen nuttig voor de teksten die hij moet schrijven voor de schoolkrant en voor Nederlands, vertelt hij. “Ik heb een exact pakket. De verslagen die ik daarvoor moet maken zijn een soort invuloefeningen.”

Piet-Hein van de Ven moet lachen als hij dat hoort. “Ik denk dat Jan zichzelf onderschat, want er wordt heel wat gevraagd, ook bij exacte vakken. Niet voor niets is er een wiskundeleraar bij mij gekomen met de vraag hoe hij de kwaliteit van de verslagen kan opkrikken, omdat hij zich zo ergerde aan het slechte niveau ervan.”

Volgens Van de Ven zijn hieraan twee dingen debet. In de eerste plaats zijn leerlingen niet in staat de kennis die ze bij het vak Nederlands leren, toe te passen bij andere vakken. Die transfer moeten ze leren maken. Het LenS kan daarin een belangrijke rol spelen, denkt Anne-Marie van de Wiel. “Nu vaart iedere docent zijn eigen koers. Via het LenS willen we schoolbreed dezelfde schrijfdidactiek invoeren, zodat een leerling overal dezelfde termen hoort en dezelfde aanpak leert.”

In de tweede plaats zijn docenten volgens Van de Ven vaak onduidelijk. “Wat verlang je van een leerling? Wat voor soort tekst: een verslag of een betoog? Dat moet je duidelijk maken.” Daarvoor moeten niet alleen de leerlingen weten welke schrijfstijl bij welke soort tekst hoort, de docenten ook. En daar ontbreekt het nogal eens aan. Daarom werkt het LenS aan de ontwikkeling van een databank met theorie en achtergrond van tekstschrijven, inclusief voorbeeldteksten.

Het LenS is uniek in Nederland. Het schrijfcentrum is aangesloten bij het Europese project Scriptorum, waarin nog acht andere onderwijsinstellingen in Duitsland, Frankrijk, Italië, Polen en Denemarken deelnemen. Dit Comenius-project beoogt, met subsidie vanuit Brussel, de kennis en kunde van al deze instituten te verzamelen en toegankelijk te maken voor het hele onderwijsveld, volgens het principe: goed voorbeeld doet goed volgen.

En wie schrijft die blijft.