Het goede doel wordt steeds populairder

Nederlanders zijn gulle gevers. Vooral via de collectebus. „Nederland heeft nog geen cultuur van major donors als in de VS, maar die komt er wel.”

Door Wilma van Hoeflaken

Nederlanders zijn vrijgevig, vindt hoogleraar filantropie Theo Schuyt. „Er zijn geen grote schommelingen in ons geefgedrag, maar je ziet wel een duidelijke stijging.” Ook als het gaat om de favoriete goede doelen van de Nederlander zijn er weinig schommelingen. Kerk en levensbeschouwing staan al jaren op de eerste plaats. „Geven aan de kerk is tweeledig”, zegt Schuyt, „je geeft aan de kerk, dus aan het gebouw en de organisatie. Maar tegelijkertijd is de kerk intermediair. Via de kerk geef je dus weer aan andere goede doelen.”

Onderwijs en onderzoek komen er bekaaid af. „Eigenlijk vinden we dat de overheid daarvoor moet zorgen”, zegt Schuyt. „Het idee is dat je met privaat geld van universiteiten en scholen moet afblijven.” Toch is op dit terrein wel een verschuiving zichtbaar. In de Verenigde Staten, waar veel meer ervaring is met filantropie dan in Nederland, is het heel gewoon dat vermogende particulieren hun favoriete universiteit financieel steunen.

„Ook in Nederland veranderen de opvattingen over filantropie”, zegt Schuyt. „Jarenlang had filantropie geen goede klank. Het werd beschouwd als liefdadigheid en daar houden we niet van. Naarmate de verzorgingsstaat verder ontwikkeld werd, raakte de filantropie op de achtergrond. Maar nu de overheid zich terugtrekt en er op hetzelfde moment veel vermogende particulieren zijn, zie je dat filantropie weer onderdeel wordt van ons cultuurgoed. Kijk ook maar naar alle filantropische initiatieven van bedrijven. Want sponsoring is natuurlijk niets anders dan filantropie in een modern jasje.”

Overigens zijn het niet alleen de rijken die aan filantropie doen. Menig collectant weet uit eigen ervaring dat er in de arme buurten guller wordt gedoneerd dan in de chique wijken. Dat blijkt ook uit het onderzoek Geven in Nederland, dat elke twee jaar onder leiding van Schuyt wordt uitgevoerd. „Rijken zijn in absolute zin guller”, zegt Schuyt. „Maar mensen met een lager inkomen geven een groter deel van hun inkomen weg, dus in relatieve zin zijn de armen vrijgeviger dan de rijken.”

De opvallendste trend die Schuyt signaleert is dat het geld dat via nalatenschappen bij goede doelen terechtkomt fors stijgt. Dat is ook de ervaring van advocaat en belastingadviseur Ineke Koele. „Ik kom in mijn werk elke dag vermogende mensen tegen die het helemaal niet zo vanzelfsprekend vinden om alles aan hun kinderen na te laten.” Bovendien zijn er steeds meer vermogende particulieren die goede doelen niet alleen opnemen in hun testament, maar die tijdens hun leven ook al grote bedragen weg willen geven.

Vaak willen ze ook een persoonlijke relatie met hun favoriete goede doel. Een voorbeeld daarvan zijn de vele fondsen op naam, die ondergebracht zijn bij het Prins Bernhard Cultuurfonds. Mensen schenken een bedrag aan een fonds, leggen vast dat alleen het rendement ingezet mag worden of ook de hoofdsom, en bepalen samen met deskundigen de criteria waaraan de aanvragers moeten voldoen. Zowel Schuyt als Koele vindt dat de overheid dit gedrag zou moeten stimuleren.

Op kleine schaal gebeurt dat al. Alle goede doelen die door de overheid officieel erkend zijn, zijn vrijgesteld van schenkings- en successierechten. Bovendien kunnen particulieren giften aan erkende goede doelen aftrekken van de inkomstenbelasting. Daar geldt wel een drempel, zowel aan de onderkant als aan de bovenkant. Giften zijn pas aftrekbaar als het om meer geld gaat dan 1 procent van het belastbaar inkomen en de aftrek houdt weer op bij 10 procent.

Alleen periodieke giften, waarbij de gever zich vastlegt om minstens vijf jaar een bepaald bedrag te schenken, zijn onbeperkt aftrekbaar. „In de Verenigde Staten is de overheid veel verder in het stimuleren van geefgedrag”, zegt Koele.

Zij promoveerde in november op een studie internationale filantropie. „In de Verenigde Staten is natuurlijk niet iedereen een Bill Gates, maar er is veel particulier geld dat voor algemeen nut wordt aangewend. Het is niet overdreven om te zeggen dat vermogende particulieren daar de maatschappij financieren. In Nederland zijn we nog niet zo ver, hoewel ook hier veel geld is onder particulieren. Maar wij zijn nog steeds met de collectebus in de weer. We hebben nog geen cultuur van major donors.”

Enigszins naar Amerikaans voorbeeld – niet helemaal, want de fiscale wetgeving in de Verenigde Staten werkt met heel andere begrippen dan de Nederlandse fiscus – ontwikkelde Koele een techniek die zij „gedeeld geven” noemt (zie www.gedeeldgeven.nl).

Het komt erop neer dat mensen minstens 250.000 euro schenken, maar zelf het rendement over dit bedrag ontvangen. Ze bepalen zelf de hoogte van het rendement, een percentage tussen de 3 en 6 procent. Naarmate dat percentage lager is, geven ze dus meer. De stichting Gedeeld geven beheert het vermogen.