Help mij het zelf te doen

Honderd jaar geleden lanceerde de Italiaanse arts Maria Montessori (1870-1952) met ‘Il Metodo’ een nieuwe manier van leren. „Tot zulk een nonsens komt men, als de juiste beginselen en de ervaring der eeuwen overboord worden gegooid.” Een terugblik aan het eind van een jaar van onrust in het huidige onderwijs.

Taal is tastbaar, want letters kriebelen zachtjes aan de vingertoppen. Al zal ik het niet zo hebben geformuleerd in mijn zesjarige hoofd, de sensatie is dezelfde gebleven. In de toonzaal van Nienhuis Montessori International BV in het Gelderse Zelhem verdwijnt de afstand in jaren ogenblikkelijk bij de aanraking van het schuurpapieren alfabet. Voor Ada Montessori (50) geldt hetzelfde zodra ze de gouden kralenstaafjes van de honderdketting vastpakt. We zijn op bezoek in de fabriek waar de leermiddelen worden gemaakt die haar Italiaanse overgrootmoeder heeft bedacht.

Honderd jaar geleden begon Maria Montessori aan de ontwikkeling van Il Metodo, haar revolutionaire leer- en opvoedmethode. Revolutionair, omdat ze het kind als individu presenteerde, met een eigen stem. Haar laboratorium was de ‘Casa dei Bambini’, een experimenteel schooltje voor vijftig straatarme kleuters uit een Romeinse volksbuurt. De eerste vrouwelijke arts van Italië had haar zinnen had gezet op pedagogiek. Ze stelde vast hoe nieuwsgierig en leergierig kleine kinderen zijn. Dat ze de drang hebben om zich te ontplooien. Dat elk kind, op zijn eigen manier en in zijn eigen tempo, aandachtig aan de slag gaat wanneer het in de geschikte omgeving het juiste materiaal aangereikt krijgt.

Al doende verzon en ontwierp Maria Montessori een arsenaal aan lokkende leermiddelen. Tijdens onze rondleiding in de fabriek worden de stoffen om de Aankleedrekken gespannen, de blokjes voor de Roze Toren gezaagd, de Rode Stokken gespoten, de Bellensets getest en talloze andere attributen verpakt om naar scholen over de hele wereld te gaan. Verpakt in ondoorzichtige houten doosjes, om de nieuwsgierigheid te wekken, vertelt pedagogisch didactisch medewerkster Han Kamphuis.

‘Help mij het zelf te doen’ is Montessori’s vaak herhaalde samenvatting van haar methode. Leren uit ondervinding. Het kind als – kleine – zelfstandige, met het perfect uitgedokterde materiaal als leerkracht, en de leidster (Montessori verwierp de term onderwijzeres) in de rol van oplettende aangever en begeleider.

‘100 jaar Montessori: vrij & zelfstandig’. In het licht van de grote onrust in het onderwijs klinkt de slogan, waarmee dit jaar wereldwijd het eeuwfeest van de Montessori-methode is gevierd, al net zo spottend als de titel van het landelijk gratis verstrekte boek van Theo Thijssen: De gelukkige klas. Enigszins uitdagend zelfs, gezien de overstelpende hoeveelheid kritische geluiden over het nieuwe leren, het studiehuis, het competentiegericht leren, en de evenzovele noodsignalen over gebrekkige kennis van de hedendaagse scholier, van peuter tot jong adolescent. Dikwijls vallen de woorden vrijheid en zelfstandigheid en wordt een link gelegd met Montessori. Niet in positieve zin.

Het was niet anders toen de ideeën van Montessori opgang maakten in de vindingrijke en groeizame periode voor de Eerste Wereldoorlog. De Casa dei Bambini kreeg uit de hele wereld, ook uit Nederland bezoekers, die vaak als begeesterde volgelingen terugkeerden naar huis. Il Metodo werd in veel talen uitgegeven en van commentaar voorzien. Met de belangstelling ontbrandde ook de discussie over Montessori’s pedagogische bevindingen. Op 28 juni 1912 schrijft dagblad Het Centrum over „iets heel geks op ’t gebied van onderwijs”. In Londen was een klaslokaal met losse tafels en stoelen in plaats van banken ingericht, volgens het stelsel van signora Montessori. Kinderen mochten er vrij rondlopen en zonder „den geringsten dwang” doen wat ze wilden. „Tot zulk een nonsens komt men, als de juiste beginselen en de ervaring der eeuwen overboord worden gegooid.”

Het bericht mag dan badinerend van toon en oppervlakkig van inhoud zijn, er spreekt vooral de onbehaaglijkheid uit die Montessori’s methode opriep. Kinderen zelfstandig laten werken, zoals ze propageerde, werd door tegenstanders van de radicale hervormster fel bestreden. In elk verslag over onderwijsperikelen kwam haar methode ter sprake en op al haar uitspraken en publicaties werd gereageerd. Vooral over de morele en sociale betekenis.

Vrijheid zou volgens sommigen „leiden tot bolsjewisme”, zo klonk het kort na de Russische revolutie. Andere stemmen spraken van een „te groote rationalisatie”. Uit christelijke hoek werd haar verweten niet in te zien „dat de mensch niet vrij wordt geboren, maar die vrijheid moet veroveren in geestelijken strijd”. Weer anderen meenden juist dat haar methode het spel en de fantasie veronachtzaamde.

Toch hadden ook voorstanders van onderwijsvernieuwing hun bedenkingen. De eerste kleuterschool was al geopend toen de pedagoog Gunning een uitvoerige studie aan de methode wijdde. Hij vond ‘leermiddelen’ een ongelukkig gekozen naam: de leermiddelen waren minder belangrijk dan de denkbeelden. Waarin hij zich vergiste. De firma Nienhuis produceert al bijna tachtig jaar de onmisbare materialen volgens de blauwdrukken van Montessori, die worden beheerd door de Association Montessori Internationale (AMI).

In het historische kabinet bezijden de toonzaal hebben de oude exemplaren het patina van museumstukken. De werkboeken van de leidsters, die nog onder Montessori zelf studeerden, zien er met de prachtig gedetailleerde en met stof opgewerkte afbeeldingen van de leermiddelen uit als incunabelen. In een andere vitrine liggen foto’s en eerbewijzen, het biljet van 1000 lire waarop zij staat afgebeeld. Een foto van Montessori met wandelstok met daarnaast de originele wandelstok, een cape’je en een haakwerkje. Ze zijn geschonken door Renilde Montessori, een tante van Ada. Ze zat in het bestuur van de AMI, de organisatie die in 1929 door Maria Montessori in Kopenhagen werd opgericht om haar erfgoed te beheren. Nog altijd opereert de AMI vanuit het huis aan de Amsterdamse Koninginneweg waar Montessori heeft gewoond. Hier worden de zeker vijftig trainingscursussen voor de ‘teacher-trainers’ en de opleidingen voor de leerkrachten georganiseerd en de congressen voorbereid. „Reizigers in Montessori”, noemt Ada de trainers. Het zijn ‘de gedrevenen’, die in haar jeugd vaak bij hen over de vloer kwamen, altijd onderweg naar een volgende opleiding in het buitenland. De opleiding vergt zeer veel tijd en toewijding. Montessori is kostbaar.

Op de eerste etage aan de voorkant is Montessori’s werkkamer met haar bibliotheek en persoonlijke voorwerpen intact gebleven. Op het bureau aan het raam staat een verschoten letterdoosje van het Leermiddelenhuis. Aan de wanden hangen portretten van haar ouders en paus Pius, en een kruisbeeld. De slaapkamer aan de tuinkant etaleert de leermiddelen. Naast een aantal oude stukken en de assortimenten van Nienhuis en de Italiaanse producent Gonzagarredi, ook een precieuze zijden uitvoering van de Kleurspoelen, afkomstig uit Japan. Bij de veranda beneden staat een bronzen kop van de beeldhouwer Theo Reyn, van de hal hiernaartoe verplaatst, omdat hij Mammolina met al te strenge, doordringende blik vereeuwigde.

Binnen de familie is de koosnaam Mammolina usance, ook bij wie haar niet meemaakte, zoals Ada. Voor de eerste Montessorianen die de ontwerpster van de methode omringden, was Montessori een vrouw van mythische proporties. Ze droeg er zelf toe bij. Met haar imposante optreden en haar verhalen over de momenten van revelatie, waarin de methode tot haar kwam. Ada’s vader maakte het portret van de „onzichtbare aanwezige” niet minder sterk, wel aardser. Een van zijn vele running gags betrof een scène op straat waarin Mammolina op een ruziënd echtpaar stuitte en wilde ingrijpen toen de man de vrouw sloeg. De vrouw werd vreselijk boos en riep haar toe: „Dat hij mij slaat, betekent dat hij van mij houdt!”

Ze is nooit getrouwd. Van de man die haar grote liefde moet zijn geweest, de arts en pedagoog Giuseppe Montesano, kreeg de diepreligieuze Maria in 1898 een zoon, die ze Mario noemde. Hij woonde op het land bij pleegouders, tot zijn vijftiende. Daarna reisde hij samen met zijn moeder en de methode de wereld rond, meestal door haar voorgesteld als: mijn neef Mario. Zo mededeelzaam als ze over haar methode was, zo angstvallig verborg ze haar zonde.

In de vitrine bij Nienhuis ligt een foto met de tekst: ‘Maria Montessori en haar zoon Mario’. Ada verbetert: „Maria en haar kleinzoon Mario. Hier zie je mijn vader.” Mario senior, gestorven in 1982, had een naar hem vernoemde zoon, overleden in 1993. „Mijn vader was eens aanwezig bij een lezing van Maria. Midden in haar betoog en midden in een zin hield zij op. Fier liep ze het podium af, het publiek in ontreddering achterlatend. Een paar minuten later kwam zij even fier weer terug en hervatte haar betoog precies waar ze gebleven was; zonder tekst of uitleg te geven. Toen mijn vader naderhand vroeg wat er aan de hand was, vertelde zij, dat haar tandprothese los zat.”

Ze was elke situatie meester.

Bij een drukbezette bijeenkomst op de universiteit van Amsterdam in januari 1920 lieten diverse sprekers zich bewonderend uit over Montessori, alleen de pedagoog professor Kohnstam resumeerde enige vragen, vooral over „het probleem der vrijheid, waarmee de Hollanders evenals de Amerikanen moeite zullen hebben.” De eregaste ging alleen hier uitvoerig op in: „Vrijheid is niet ongebondenheid, zonder regels, zonder limiet, dan zou vrijheid synoniem worden met...niets. Vrijheid moet niet zijn een loslaten van het kind in de chaos der dingen, maar wel een beschikbaarstelling aan het kind van alle middelen, die noodig zijn voor een volledige ontwikkeling. Elk wezen moet leven volgens de wetten van zijn bestaan en dus bevrijd worden van alle belemmeringen daarbij en voorzien worden van de hulpmiddelen, alle hulpmiddelen voor zijn levensfuncties (physisch, psychisch) en daarna... après ça le laisser vivre. Het klaarmaken van het kind voor het leven eischt diepe studie en experimenteel onderzoek.” Aldus een gedeelte van het woordelijke verslag in de NRC van 27 januari 1920.

Ze zal die middag geen demonstratie hebben gegeven, wat ze gewoonlijk op lezingen deed, om te laten zien hoe de leermiddelen de motorische vaardigheden en de zintuiglijke waarnemingen stimuleren en het kind daardoor de mogelijkheden aanreiken de benodigde kennis op te bouwen en toe te passen. Ik had er als kind uiteraard geen notie van dat de Kleurspoelen mijn cognitieve functies ontwikkelde. Het was gewoon fijn om ‘kleurtje bij kleurtje te leggen’ en het gaf voldoening wanneer een ‘werkje’ af was, exact wat Montessori beoogde.

Misschien dat de minister van Onderwijs een proeve heeft gekregen. Na een persoonlijk onderhoud met Maria Montessori diezelfde maand wijzigde hij het ontwerp van de Lager Onderwijswet om ruimte te bieden „voor nieuwe denkbeelden”. De paar Montessori-schooltjes die inmiddels waren opgericht, kregen daardoor armslag. Maar de proef met de Haagse Montessori-klas van Johanna Prins-Werker aan de ’s-Gravezandelaan viel niet bij iedereen in goede aarde. Noteerde de Haagsche Courant in mei 1920 dat de kinderen zelf het lokaal schoon hielden, in Het Vaderland schreven daarop onderwijzeressen van de aangrenzende Fröbel-klassen hoe ze hinder ondervonden van het rumoer, dat de kinderen op hekken klommen, veel vernielden en dat ouders klaagden dat hun kind in plaats van „aan beschaving te winnen, ruw en brutaal werd; vaak met vuile, gehavende kleeren thuiskwam.”

Tevreden ouders kwamen in 1929 zelf met initiatieven voor voortgezet onderwijs. Al zou het aantal klassen en scholen altijd een kleine minderheid blijven, gaandeweg won Montessori terrein tijdens het interbellum. Zelfs het christelijk bijzonder onderwijs besloot om Montessori’s beginselen in te lijven, zij het binnen de leer.

Het onderwijs was, net als nu, voortdurend in het nieuws. Omdat de Montessori-Vereeniging zich manifesteerde, kreeg de Montessori-methode ook telkens aandacht. Binnenskamers is de methode al bijna een eeuw onderhevig aan heftig debat tussen de rekkelijken en preciezen. De trend leunt tegenwoordig naar klassikalere, striktere scholing. Het gaat, nog altijd, over nog minder dan drie procent van het totaal aantal basisscholen.

De relatie tussen Nienhuis en Montessori stamt uit de jaren twintig, toen de Haagse meubelmaker Albert Nienhuis voor de school van Johanna Prins- Werker enige kasten timmerde, waarin het materiaal kon worden opgeborgen. Maria en Mario waren er zeer van geporteerd en vroegen hem ook de leermiddelen te maken volgens hun instructies. In de jaren zestig verhuisde de fabriek naar Zelhem. Op Sri Lanka zit een dochterfabriek, die onder andere de schuurpapieren letters en cijfers maakt, en in Californië staat de verkoopvestiging voor het Amerikaanse continent. De helft van de verkoop gaat naar Amerika, waar volgens Han Kamphuis Montessori nog altijd ‘met kaarsjes’ wordt beleden. Sinds enige tijd exporteert Nienhuis ook naar China. Montessori is er in trek, is ook de ervaring van de AMI.

Achter geluidwerend glas freest een machine tien rijen van elk tien kuiltjes in een vierkant plankje. Zodra het vol is, schuift een arm het op een stapel en wordt het volgende uitgefreesd. „Die wordt afgekeurd.” Han Kamphuis attendeert ons op een zwart vlammetje in het hout van wat een deel- òf vermenigvuldigbordje had zullen worden. Niets mag het kinderoog in verwarring brengen. Het materiaal dient, naar Montessori’s normen, van hoogstaande kwaliteit te zijn: mooi, glanzend en in perfecte conditie. Over de precieze diepte van de kuiltjes is stevig vergaderd.

In de hal van de halfproducten komen we langs schappen waar enkele stuks in liggen voor de nabestellingen, bijvoorbeeld van de laars van Italië die op de inlegkaart ontbreekt, of een bladvorm die uit het botaniekastje is verdwenen.

Maria Montessori had na de eerste wereldoorlog domicilie gekozen in Barcelona, vanwaar ze haar tournees bleef maken, vrijwel altijd vergezeld door haar zoon Mario. In 1936, na het uitbreken van de Spaanse Burgeroorlog, week ze uit naar Londen. Een ontmoeting volgde met de Nederlandse bankiersdochter Ada Pierson, een scherpzinnige, liefdevolle vrouw, met een hart voor de methode, die haar familiehuis in Baarn openstelde voor de Montessori’s. Vóór de Duitse inval reisden moeder en zoon naar India. Ze zouden er de bezettingsjaren doorbrengen, terwijl Ada Pierson met de kinderen uit Mario’s eerste huwelijk in Nederland zat. Ze zagen elkaar pas na de bevrijding weer, waarna Mario en Ada trouwden. De drie-eenheid Montessori, AMI, Leermiddelenhuis was definitief in Nederland gevestigd.

Voor Ada’s grootvader en stiefgrootmoeder bleef Mammolina een aanwezigheid nadat ze was gestorven op een lentedag in 1952. Dat was in Noordwijk in het zonovergoten huis aan de boulevard, dat toen aan het einde van het dorp lag. Maria Montessori werd begraven op het rooms-katholieke kerkhof in Noordwijk-binnen. ‘Ik smeek de almachtige kinderen om zich met mij te verenigen opdat wij samen kunnen bouwen aan de vrede in de wereld en in de mensen’ staat (in het Italiaans) op haar grafmonument.

Een Duitse schooldelegatie vervoegde zich jaren geleden met een dikke portemonnee bij Nienhuis te Zelhem. Instructies waren niet nodig, meende men. Het materiaal sprak voor zichzelf. Er werd voor een ton (marken toen nog) aangeschaft. Reden voor Han Kamphuis om enige tijd later bij de school langs te gaan. Tevreden sloeg ze de bedrijvige kinderen gade, zoals ze op zoveel scholen had gedaan. Na een half uur klapte de onderwijzer in de handen: „Aufraümen!” Het lesgeven kon beginnen. De Duitsers dachten voor honderdduizend mark speelgoed te hebben aangeschaft, geen leermiddelen.

De ironie ten spijt biedt de anekdote een wijze les. Het succes van de Montessori-methode, van elke onderwijsmethode, staat en valt met de uitvoerders. „Montessorianen gaan niet met VUT”, weten de medewerkers van de Association Montessori Internationale. „Trainers sterven in het harnas.”