De stelling van Paul Schnabel: vroeger was het niet beter, leve de vooruitgang

Uit recent onderzoek blijkt dat veel Nederlanders 2008 met scepsis tegemoetzien. Maar er is geen reden om het geloof in vooruitgang in de ijskast te zetten, zegt Paul Schnabel tegen Marc Leijendekker.

Paul Schnabel is directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau Foto’s Roel Rozenburg Rozenburg, Roel

Volgens historici is tussen het jaar 1000 en de negentiende eeuw voor de meeste mensen het leven nauwelijks verbeterd. Er was een gemiddelde groei van minder dan één procent. Daardoor was er weinig verschil tussen iemand die leefde in het jaar 1000 en iemand bijna achthonderd jaar later.

„Dat gaat te snel. Inderdaad stond een groot deel van de bevolking buiten de ontwikkelingen. Op het platteland leefden mensen ook in Nederland tot in de twintigste eeuw nog vrij primitief, tot zelfs in plaggenhutten toe. Maar als je kijkt naar het leven in de steden, dan zie je dat daar door de ontwikkeling van de handel al vroeg het eerste comfort kwam. In de achttiende eeuw zijn we begonnen te leven zoals we nu gewend zijn te leven, met een comfortabel privéleven. Dat is toen opgebouwd – ook al raakte dat toen nog maar een relatief klein deel van de samenleving.”

Waar het mij om gaat, is die periode daarna. De afgelopen twee eeuwen hebben een enorme sprong vooruit laten zien. Maar nu lijkt het alsof er een kentering is aangebroken. Het is niet meer vanzelfsprekend dat mijn kinderen het beter krijgen dan ik. Is er een einde gekomen aan de vooruitgang?

„Misschien bij ons. Maar in andere delen van de wereld gaat het in verhoogd tempo verder. Kijk naar de inhaalslag die Azië maakt, kijk naar Oost-Europa en Rusland. Daar doet zich nu in versneld tempo voor wat wij na de Tweede Wereldoorlog hebben meegemaakt. En ja, natuurlijk zit er een grens aan het aantal auto’s dat er kan rondrijden. Maar de auto’s zelf worden wel nog steeds beter.”

Die grens, daar gaat het om. Het tijdstip waarop die wordt bereikt, is niet zo belangrijk. Maar het hele idee dat het altijd beter wordt, moet je dat na twee eeuwen niet afzweren – ook al zullen landen als China en India misschien pas over veertig jaar de grenzen aan hun groei bereiken? Moeten we niet fundamenteel anders gaan denken over vooruitgang?

„Je ziet dat nu in het Westen andere aspecten centraler komen te staan. Nog niet echt in gedrag, maar wel in het besef dat het in deze eeuw minder om de spulletjes zal moeten gaan dan om het beheer van alles wat fundamenteel schaars is: natuur, milieu, grondstoffen, drinkwater ook. We leren nu dat we in hoe en wat we produceren, geen schade moeten toebrengen aan het milieu. Wees zuinig met grondstoffen en kijk of ze na een eerste gebruik opnieuw gebruikt kunnen worden voor iets anders. Dat is het idee van cradle to cradle-beweging Michael Braungart: alles wat je maakt, mag nu geen schade aan milieu of gezondheid toebrengen en moet in een volgende fase weer voor een ander doel bruikbaar zijn. Een zo perfect mogelijke combinatie van veiligheid, duurzaamheid en recycling dus.”

Die milieuproblemen laten toch zien dat er grenzen zijn aan de vooruitgang?

„Dat hoeft niet. De vooruitgang ziet er alleen wat anders uit, minder gericht op verbruik dan op gebruik en met een andere opbouw van de productiekosten. Kijk hoe de rivieren erbij lagen toen ik jong was, in de jaren vijftig. Vooral de kleine rivieren waren toen zwarte riolen met wit schuim erop. En ze stonken. Dat werd gezien als een noodzakelijk kwaad, want er moest snel en goedkoop geproduceerd worden, net zoals nu in China. Nieuwe technologie en meer welvaart waren nodig om de zaak weer schoon te krijgen. We beleven dat als meer welzijn: minder stank, minder gifstoffen, uiteindelijk ook minder industrie, maar daar zijn we niet armer van geworden.”

En nog steeds hebben wij scenario’s over ingrijpende klimaatverandering en is onze CO 2 -uitstoot te hoog. Een beroemde auteur als Jared Diamond waarschuwt in zijn boek ‘Collapse’ dat we niet moeten denken dat de vooruitgang van de techniek al deze problemen zal oplossen.

„Ik denk dat technologie veel kan oplossen, maar de vraag is wel of dat nog op tijd zal zijn. Waterstof, biomassa, windenergie, kernenergie – het is er allemaal, maar het stelt met uitzondering van kernenergie nog weinig voor. De energiebehoefte groeit bovendien sneller dan zij beschikbaar komen. Het kost vaak ook meer dan het opbrengt. Een echt probleem bij de CO2-uitstoot is dat we er in het dagelijks leven tot nu toe weinig last van hebben. Zeker in Nederland niet, en dat heeft er ook toe geleid dat tot de komst van Al Gore en de opkomst van China het milieuvraagstuk nauwelijks nog leefde. Het ziet er hier zelfs beter uit dan vroeger. Er zijn meer ooievaars dan ooit en er zijn zelfs meer bossen dan in het verleden. Mensen denken vaak dat dit niet zo is, maar het enige wat we zijn kwijtgeraakt, is woeste grond. De niet-gebruikte ruimte, die is inderdaad veel kleiner geworden.”

Leg dat maar eens uit aan de automobilist die links en rechts van de snelweg bedrijventerreinen ziet waar vroeger weilanden vol koeien waren.

„Vroeger zagen ze dat helemaal niet, want toen hadden ze geen auto. Mensen hadden voor een heel groot deel helemaal geen toegang tot die natuur, geen tijd, geen geld en geen vervoersmiddelen. Overigens, het weiland staat vol koeien, en schapen en niet te vergeten paarden.”

En toch: het perspectief is anders, zeker voor jongeren. Ik vertelde mijn dochter waarover ik met u zou praten. Zij zei (met excuses voor het taalgebruik) ‘Vooruitgang? Bullshit.’

„Als de iPhone in Nederland komt, zal ze die toch ook willen hebben. Je kunt je afvragen of dat wel vooruitgang is, maar zo zal ze dat toch echt wel beleven. In Amerika en Azië is men daar eerlijker en opener in – nieuwe technologie wordt niet alleen gebruikt, maar ook echt omarmd. Wij doen het eerste ook, maar het tweede minder. Bovendien, iedere technische vooruitgang is al gauw weer zijn eigen minimumnorm. Neem zoiets simpels als het fleece vest dat ik aanheb. Dat materiaal bestond vroeger niet. Het is licht, gemakkelijk, warm, goedkoop en inmiddels alweer heel gewoon. Echt, het leven wordt steeds comfortabeler dankzij technologie.”

Samenvattend: We hoeven ons niet zo veel zorgen te maken?

„Dat zeg ik niet, maar ik zie wel steeds verbeteringen, op heel veel terreinen. Praat eens met aannemers en architecten over hoe nu een huis wordt gebouwd in vergelijking met twintig, dertig jaar geleden. Aan de buitenkant ziet het er hetzelfde uit, maar in de bouw is een enorme technologiesprong gemaakt: in termen van isolatie, van nieuwe materialen. De gebruikte materialen zijn ook steeds minder schadelijk. Kijk hoe de verfindustrie is veranderd. De schilder, dat was vroeger iemand die vroeg doodging, door de dampen die hij inademde. Verf op waterbasis, dat was vroeger vrijwel ondenkbaar. Je ziet het niet zo, verf is nog steeds verf, maar die wordt wel op een heel andere manier gemaakt.”

Dat is de technologie. Maar wat zegt u tegen mensen die verwachten dat hun kinderen het niet meer zo goed krijgen?

„Dat is inderdaad niet meer vanzelfsprekend. De afgelopen eeuw hebben een enorme sociale en economische ontwikkeling laten zien. Elke generatie had het materieel beter dan de vorige en kwam ook hoger uit qua opleiding. Als een groot deel van de samenleving al een hoge opleiding heeft, kan dat natuurlijk niet door blijven gaan. Onvermijdelijk zullen veel kinderen nu minder hoog opgeleid zijn dan hun ouders, maar anders dan vroeger betekent dat geen leven in hardship meer. Je hoeft sociaal niet meer te klimmen om qua levensstijl hoog uit te komen. ”

Noem ze cultuurpessimisten, maar veel mensen hebben het gevoel dat het leven, ondanks de materiële vooruitgang, kwalitatief niet beter wordt.

„Het thema van ons nieuwjaarsboekje is: ‘Vroeger was het beter’. Dat is dus meestal en voor de meeste mensen niet zo. Mensen hebben een geïdealiseerd beeld van het verleden. Het is het pimfortuynverhaal van de jaren vijftig. Als hij toen te koop had gelopen met zijn voorkeur voor Marokkaanse jongetjes, had hij in de gevangenis gezeten en had niemand iets met hem te maken willen hebben. Het beeld van het ideale gezinsleven van toen? Vrouwen móésten thuis zitten, gehuwde vrouwen werden gewoon ontslagen. Het eten van de jaren vijftig? Er zijn niet veel mensen die, als ze dat nu voorgeschoteld krijgen, dat echt lekker zouden vinden. Zwaar, en alles verpapt, met die doorgestoofde groenten. Mensen houden nu eenmaal selectief dingen vast – de Romeinen deden het al, met hun loflied op Arcadië. We hadden het zo ontzettend gezellig met elkaar, altijd spelletjes doen. Ja, dat onthoud je, die ene avond dat het ontzettend leuk was met een spelletje. Ik zeg altijd: lees De avonden. Diepe treurnis. Lees Het zwijgen van Maria Zachea. Een keihard en buitengewoon kil leven waarin het erom ging het hoofd boven water te houden en te zorgen dat de tuinderij liep. Er was weinig interesse van de mensen in elkaar, weinig aandacht voor het persoonlijke leven van de kinderen.”

En het culturele element in die vooruitgangsscepsis? Vroeger waren er meer mensen die Homerus en Vergilius konden lezen en duiden. Dat verdwijnt.

„Er waren vroeger ook maar weinig mensen die dat konden. Honderd jaar geleden waren er vijfduizend mensen die hoger onderwijs volgden. Nu zijn dat er een half miljoen.”

Maar zitten daaronder evenveel mensen die thuis zijn in de klassieken, of is dat toch aan het verdwijnen?

„Dat is aan het verdwijnen. Maar hoe erg is dat? Ik heb vroeger Plato vertaald, maar dat was toch een beetje onzin. Waarom zou je dat eigenlijk moeten kunnen, anders dan als hersentraining? Er zijn nu, en dat was vroeger niet zo, prachtige vertalingen beschikbaar die echt vertellen waar het over gaat. Zeker, ik ben ook wel eens gechoqueerd door wat mensen allemaal niet weten. Maar als ze mij vragen hoe Ajax of Feyenoord er voorstaat, weet ik dat ook niet. En daar zijn anderen dan weer door gechoqueerd.”

Dat is te makkelijk. Je moet toch een hiërarchie aanbrengen? Anders domineert het consumentisme, de massaficatie, waarin voor bepaalde dingen nauwelijks plaats meer is.

„Je moet daar niet te somber over doen. Kijk naar de boekverkopen. Kijk hoe literatuur is doorgedrongen tot de bestsellerlijsten. Natuurlijk, het is commerciëler geworden. Maar ik zie dat het een aantal schrijvers lukt om van hun boeken te leven, en niet alleen de oudere generatie. Mensen als Joost Zwagerman, Tommy Wieringa, Arthur Japin. Kijk ook naar Geert Mak, iemand die met zijn vertellende geschiedenis een enorm publiek heeft weten te bereiken. Dat is vooruitgang.

„Een ander voorbeeld. Kunstgeschiedenis is mijn hobby, ik weet meer van de Nederlandse schilderkunst dan de gemiddelde kunsthistoricus. Als je ziet wat er op dit moment te krijgen is aan informatiemateriaal, ook voor leken! Neem de catalogi bij de tentoonstellingen, kijk hoeveel wetenschappelijke kennis en achtergrond daarin zit – voor iedereen toegankelijk.”

Een ander thema dat vaak terugkomt: het onderwijs. We kennen allemaal de verhalen over onderwijzers die niet goed kunnen rekenen en spellen, of van de leraren Nederlands of Engels die vinden dat je niet zoveel boeken hoeft te lezen.

„Er is in het onderwijs inderdaad lange tijd te veel aandacht geweest voor pedagogiek en didactiek en te weinig voor vakkennis. Op de lerarenopleiding is het omgaan met jongeren bijna belangrijker geworden dan wat het vak inhoudelijk betekent. Daar moeten we op terugkomen.”

Tot slot: het geloof in vooruitgang heeft ook een religieuze component, de wereld een beetje beter willen maken. Is de ontkerkelijking gepaard gegaan met groeiende onverschilligheid voor dat streven?

„Nou, kerken hebben het altijd moeilijk gehad met vooruitgang. Ik geloof niet dat de religieuze component van het doen van goede werken helemaal weg is. Kijk eens wat mensen in Nederland over hebben voor goede doelen. Tel eens hoeveel mensen vrijwilligerswerk doen en mantelzorg bieden. Kijk eens naar de mensen die via nalatenschappen ook na hun dood een bijdrage willen leveren aan een betere wereld. We hebben hier weinig mensen met een Bill-Gatesachtige rijkdom, maar het Prins-Bernhardfonds heeft wel tweehonderd fondsen op naam. We praten bij de goede doelen over meer dan vijf miljard euro per jaar. Soms wordt daar cynisch over gedaan, maar dan denk ik: wat doe je zelf? Zeker, in Nederland is het niet meer zo als in de jaren vijftig, dat iedereen zich inspant om het land welvarender te maken. Dat is hier niet meer nodig, dat doen ze nu in China en India. Die drive is bij ons weg. Maar mensen investeren nu in andere manieren om een bijdrage te leveren aan de samenleving. Vroeger was het niet beter. Al die skepsis over het einde aan de vooruitgang is niet op zijn plaats.”