De schoonheid van een meisje

Pride and Prejudice gaat over seksuele selectie, en Madame Bovary’s overlevingsstrategie was weinig efficiënt. Literair darwinisten reduceren verhalen tot ‘evolutionair relevante parameters’. Tijs Goldschmidt

‘Mag ik van jou, van de jaloerse mannelijke personages, Shakespeares Othello?”, vraagt de kwartetspeelster aan een van haar medespelers. ‘Die heb ik inderdaad’, zegt de aangesprokene, terwijl hij zijn Othello-kaart uit het literair darwinistisch kwartet aan haar overhandigt. Er staat een afbeelding op van een geëmotioneerde Othello die voorzien is van een korte toelichting: “Iago heeft erop gezinspeeld dat Cassio ‘het beest met de twee ruggen’ heeft gemaakt met Desdemona, Othello’s vrouw. Zijn jaloezie maakt hem furieus.” Dit literair darwinistisch kwartetspel bestaat nog niet. Maar als in de literatuurwetenschap de huidige trend doorzet om literaire teksten met een darwinistische blik te analyseren, dan kun je erop wachten. Mogelijk zal het binnenkort net zo vaak worden gespeeld als memory, scrabble, of een spelletje mens-erger-je-niet.

De literair darwinisten stellen de evolutietheorie centraal in hun onderzoek. Zou het vermogen pakkende verhalen te vertellen in de loop van de evolutie geselecteerd kunnen zijn? Wie weet vergroot het vertellen, schrijven of voordragen van verhalen de overlevings- en voortplantingskansen van de maker of voordrachtskunstenaar.

Bovendien hopen de literair darwinisten erachter te komen welke factoren bepalen of een verhaal of tekst wordt overgeleverd aan een volgende generatie in plaats van te worden weggezeefd. Biologische- en culturele selectieprocessen vertonen mogelijk overeenkomsten. Als er analogieën bestaan tussen genetische overerving in de biologische evolutie en de expliciet niet-genetische doorgave van teksten in het cultureel domein, wat bepaalt dan of een tekst lezers van latere generaties blijft boeien of niet? Ineke Sluiter die zich toelegt op de drieëndertig Griekse tragedies die er nog over zijn, wil weten of in die teksten de grote emoties het best werden beschreven. Zijn deze drieëndertig (van de oorspronkelijke twaalfhonderd) tragedies overgebleven ten gevolge van culturele selectie, of was het toeval?

De literair darwinisten zijn nog nauwelijks begonnen, maar behalve deze twee vragen, naar de functie van verhalen vertellen en de factoren die de overlevingskansen van teksten bepalen, stellen sommigen onder hen zich nog een derde doel: verhalen en literaire teksten terugbrengen tot evolutionair relevante parameters. Ze proberen ze te reduceren tot een darwinistisch skelet door archetypische personages en hun interacties aan te wijzen: mannen die met rivalen concurreren om vrouwen, of vrouwen die kieskeurig zijn bij het kiezen van een seksuele partner. Zo hopen zij nieuwe patronen en wetmatigheden te ontdekken, bijvoorbeeld over de rol van jaloezie in literatuur uit sterk verschillende regio’s en tijden.

Een gedragsbioloog kijkt er niet van op dat Othello buiten zinnen raakt van jaloezie door het idee dat Desdemona ‘het’ met Cassio heeft gedaan. Het is ten slotte de grote angst van bijna elke gehuwde heteroseksuele man dat hij, zonder het te weten, op zal draaien voor de opvoeding van andermans kinderen. Tot voor kort was het nog niet mogelijk om in geval van een zwangerschap die twijfels oproept bij de drager van het Y-chromosoom, ter geruststelling even een vaderschapstestje te laten uitvoeren. Dé manier om stress, blinde woede en jaloezie kwijt te raken, maar volstrekt ondenkbaar in de tijd van Shakespeare.

Het zou me niet verbazen als mannelijke jaloezie heviger, of ten minste anders van aard is, dan de vrouwelijke versie die oplaait als haar geliefde ontrouw is. Als een man een avontuurtje heeft met een andere vrouw impliceert dat niet dat zijn vrouw de kans loopt een jaar of achttien lang op te draaien voor het opvoeden van een kind waarmee zij genetisch niet eens verwant is. Gedragsbiologen voorspellen dan ook dat vrouwelijke seksuele jaloezie van oudsher wordt gevoed door iets anders; de angst haar provider, noodzakelijk voor de opvoeding van haar kinderen, aan een vrouwelijke rivaal te verliezen. Verschillen tussen mannen en vrouwen in de aard van hun jaloezie kunnen haast niet anders dan diep verankerd zijn in onze genetische programmatuur. Ze zijn ten minste zo oud als de Homo sapiens zelf.

In de evolutie gaat het erom je éigen genoom zo efficiënt mogelijk te verbreiden. Volwassenen die pechvogels adopteren, zetten hun biologisch bepaalde neiging om kinderen te verzorgen en groot te brengen bewust in ten gunste van de verbreiding van andermans genoom. En hoe nobel dat ook is, misschien zelfs een vorm van hogere beschaving, de norm zal het niet snel worden. Evolutiepsychologen verzekeren ons dat hedendaagse mensen nog altijd rondlopen met breinen die vooral toegerust zijn voor het leven als jager en verzamelaar. Onze genetisch bepaalde emotionele bagage kon onmogelijk gelijke tred houden met de snelle maatschappelijke en technologische ontwikkelingen als adoptie, anticonceptie, vaderschapstesten, en financiële onafhankelijkheid van vrouwen die oeroude jaloeziegevoelens minder urgent maken. Vroeger kreeg een vrouw een kind, tegenwoordig beslist een onafhankelijke westerse vrouw of ze er een neemt.

Goede literaire schrijvers over menselijke ervaring zijn bijna altijd scherpe intuïtieve waarnemers. Ze hebben oog voor menselijke drijfveren, omgangsvormen en de functie van grote emoties als jaloezie, woede, walging, blijdschap, verwondering, verdriet, schuld en schaamte. David en Nanelle Barash, auteurs van het boek Madame Bovary’s ovaries en pioniers op literair darwinistisch terrein, vermoeden dat er aan de mannen- en vrouwenjaloezie, inclusief de literaire vormgeving ervan, in essentie niet veel zal zijn veranderd. Dat het werk van Flaubert, Shakespeare, of zelfs meer dan 2.500 jaar oude Griekse tragedies hedendaagse lezers (of kijkers) nog altijd hevig kunnen emotioneren is daarvoor al een aanwijzing. Die emoties lijken universeel te zijn en van alle tijden. Ze liggen bovendien dicht onder de oppervlakte van elke beschaving. Geen lezer of theaterbezoeker die niet intens meevoelt met Othello als hij onterechte verdenkingen gaat koesteren over de meest dierbare mens die hij kent. Het is dus de vraag of reductie van verhalen tot een darwinistisch skelet zo heel veel zal opleveren dat niet iedereen al wist. Ja, mensen beconcurreren elkaar, zijn jaloers, zitten elkaar dwars, verleiden elkaar, krijgen kinderen, plegen overspel, al loopt er af en toe iemand tussen door op wie haast niets valt aan te merken.

“Mag ik van jou, van de onberispelijke potentiële echtgenoten, Mr. Darcy”, zal tegen de tijd dat het literair darwinistisch kwartet zijn plaats veroverd heeft een veel gehoorde vraag zijn. Mr. Darcy, het personage uit Jane Austens roman Pride and Prejudice uit het begin van de negentiende eeuw. Darcy werd symbool voor datgene wat huwbare, of in dit verband liever jonge, vruchtbare vrouwen in een toekomstige vader voor hun kinderen zoeken. Een man die goede daden verricht zonder zich daar ooit op te laten voorstaan. Ik herinner mij, lang geleden, in een verliefde toestand regelmatig langs het huis van een meisje te zijn gelopen, in het voorbijgaan omgevallen fietsen als vanzelfsprekend even overeind zettend zónder naar het raam van haar studentenkamer te kijken. Een berekenende vorm van Mr. Darcy spelen die helaas niet werkte.

Jane Austen benadrukte in haar boek hoe essentieel kieskeurigheid van vrouwen is bij het uitzoeken van een echtgenoot. Haar thema is, zonder dat overigens zo te noemen, seksuele selectie; de bijzondere vorm van natuurlijke selectie waarbij leden van de ene sekse, in dit geval de vrouwelijke, specifieke exemplaren van de andere sekse selecteren. Ze had het intuïtief allemaal al aangevoeld en even scherpzinnig als geestig beschreven, niet alleen in Pride en Prejudice, maar ook in haar andere romans.

Over Mr. Darcy die Elizabeth op een bal zag, merkte Austen op: ‘Though he had detected with a critical eye more than one failure of perfect symmetry in her form, he was forced to acknowledge her figure to be light and pleasing.’ Dit is maar één enkele zin, maar je zit desgewenst direct middenin de evolutiebiologie. Mr. Darcy werd uitverkoren vanwege zijn nobele karakter, maar Elizabeth kan er voor hem maar net mee door. Ze bevalt Darcy wel, maar dat ze niet perfect tweezijdig symmetrisch is, zit hem niet echt lekker. Asymmetrie kan een aanwijzing zijn, volgens de gedragsbiologen en genetici, dat allerlei groeiprocessen niet helemaal harmonieus verlopen. En dat is met het oog op nageslacht, niet onbelangrijk. Om te weten of een partner gezond is, een goed werkend immuunsysteem bezit, en ‘goede genen’ heeft, moet je ten slotte ergens op af gaan. Door het hele rijk van kiezende dieren heen speelt de mate van tweezijdige symmetrie van een toekomstige partner een belangrijke rol. En al mag je hopen dat er bij mensen allerlei andere factoren meetellen als intelligentie, gevoel voor humor, betrouwbaarheid en empathisch vermogen, de invloed van fysieke schoonheid kan moeilijk worden uitgevlakt.

Literair darwinisten zullen hun bronnen waarschijnlijk goed moeten selecteren, want literaire teksten lenen zich er lang niet altijd toe om tot darwinistisch relevante schema’s te worden teruggebracht. Een schrijfster als Jane Austen geeft een tamelijk realistische weergave van haar personages, al is ze minder scheutig met details over uiterlijkheden dan vele minder, getalenteerde schrijvers. Culturele selectie zal al snel volop aan het werk zijn bij het afbakenen van het werkterrein van een literair darwinist, maar zolang je je daarvan bewust bent hoeft dat geen bezwaar te zijn. Vooral realistische schrijvers komen in aanmerking. Door hun werk te bestuderen, kun je iets te weten komen over de keuzecriteria van mannen die een vrouw kiezen, over vrouwelijke rivalen, over seksueel misbruik, overspel en de behandeling van stiefkinderen, maar aan een associatieve dichter als Lucebert, hoe fantastisch ook, heb je in dat opzicht vermoedelijk niet veel.

Neem het eerste couplet van zijn gedicht De schoonheid van een meisje. Ik zie de literair darwinist zich al verkneukelen zodra zijn oog valt op de titel, want als er iets relevant is in de menselijke evolutie, dan is het toch wel de schoonheid van meisjes. Wat moet hij dan teleur gesteld zijn te lezen:

De schoonheid van een meisje

Of de kracht van water en aarde

Zo onopvallend mogelijk beschrijven

Dat doen de zwanen

Heb je eindelijk alles evolutionair op een rijtje, van Homerus tot Boccaccio, van Shakespeare tot Austen en dan krijg je dit. Waarom liet Lucebert de schoonheid van een meisje zo onopvallend mogelijk beschrijven? Had het niet wat opvallender gekund? Dan viel er misschien iets aan af te meten. De vergelijking met die zwanen, met hun trotse, stille verschijning is natuurlijk prachtig, maar daar schiet de literair darwinist weinig mee op. Of het moest zijn dat Lucebert, zoals zoveel mannen, kennelijk meer zag in stille meisjes dan opgewonden standjes. Of neem een ander boek dat mij beter bevalt dan veel realistische romans: Een wolk in broek van de Russische dichter Majakovski. Wie zou er de biologische fitness willen bepalen van een wolk in broek? Wie waagt zich eraan te zoeken naar verwante wolken in broek die zich opsplitsen in nog veel meer wolkjes in evenzovele broekjes? Een lucht vol vormeloze damp. Stop!

Dit is geen fair beeld van wat de literair darwinisten beogen. Zij zullen zich, als ik het goed begrijp, willen beperken tot tamelijk realistische verhalen over mensengedrag, en dan kan hun benadering een verfrissende kijk geven op allerlei evolutionair relevante fenomenen. Het moet op een concrete manier gaan over mensen van vlees en bloed.

Voorlopig is het voor veel literatuurwetenschappers, en zelfs voor een evolutionist als ik, nog wennen om met een darwinistische blik te kijken naar literaire teksten. Laat staan dat er in de Nederlandse huiskamers al literair darwinistisch kwartet zou worden gespeeld. Een spel waarin naast een Othello-kaart en een Darcy-kaart bijna zeker ook een Bovary-kaart zal voorkomen.

“Mag ik van jou, van de overspelige vrouwelijke personages, Flauberts Madame Bovary?” Er staat een plaatje op van een landerig kijkende vrouw die door vreemd te gaan spanning probeerde te brengen in haar gezapige doktersvrouwenbestaan. Uiteindelijk met fatale gevolgen en dat is niet onbelangrijk voor een literair darwinist. Want net als evolutiebiologen zijn zij geïnteresseerd in geboorte en dood. Biologische evolutie draait om voortplantingssucces, om de efficiëntie waarmee een dier zijn genen weet door te geven, niet zelden ten koste van zijn concurrenten. Met hen wedijvert hij om ruimte, voedsel, en partners met goede genen. Alle factoren die geboorte of dood tot gevolg hebben, kunnen op de belangstelling rekenen van een evolutiebioloog. En alle gedrag, ervaringen en emoties die daarmee te maken hebben, kunnen in principe het onderwerp van studie vormen voor de literair darwinist.

Zoals de eerste beschrijving van een vrouwelijk orgasme in Een liefde van Van Deyssel: “Golvenwolken van witte hitte zwalkten door de ruimten, tusschen de openingen glijend en voort stoomdwarrelend in de verheid. En het werd gedragen door alle lagen der ruimte, in één begeestering van heete kleuren, één vervlamming van het heete leven, en Mathilde voelde haar juichende jeugdvleesch onder haar kleeren beven, en in haar gouden weten dat haar vleesch gelukkig zou zijn, werd zij getrokken naar de groensombering der warande. Verbijsterd in haar snikkende bedwelming, vroeg zij wat het was…” Het is duidelijk dat in het literair darwinistisch kwartetspel, een kaart van Mathilde moet worden opgenomen, al zal het niet meevallen de biologische betekenis van dit orgasme uit deze tekst te destilleren. Want Mathilde bevredigde zichzelf. Van een spermaoorlog in haar uterus was, hoe spijtig ook voor de literair darwinisten, geen sprake.

Wie weet zullen, tegen de tijd dat er in huiskamers volop literair darwinistisch kwartet wordt gespeeld, al lang nieuwe onderafdelingen bestaan aan de literaire faculteiten. Een literatuurwetenschapper noemt zich niet langer literair darwinist, maar Othellist, Darcist, of Bovarist.

Hij probeert zicht te krijgen op respectievelijk mannelijke jaloezie, de kwaliteiten van ideale partners, of de condities waaronder vrouwen geneigd zijn tot overspel. Voorlopig is het niet zo ver en moet een literair darwinistische benadering zich eerst nog bewijzen.

In zijn Huizinga-lezing uit 1978, De literatuurwetenschap Het raadsel der onleesbaarheid, maakte Karel van het Reve korte metten met de onverteerbare gewrochten van sommige literatuurwetenschappers. Wie zonder iets te gebruiken high wil worden, moet vooral een tekst lezen van een Franse postmoderne literatuurwetenschapper, maar over literatuur zal hij niet veel te weten komen. Literair darwinisten zullen beter schrijven dan deze notoire zwatelaars, maar ook hier dreigt gevaar. Want door het darwinistische paradigma te veel op te rekken en er naar believen passende voorbeelden bij te zoeken, ontstaat een sterk vertekend beeld van de literatuur.

Ondanks alle moeilijkheden en bezwaren, die in dit stadium nog gemakkelijk zijn aan te voeren, is het een spannende onderneming. Een boek als Madame Bovary’s ovaries zou je als een eerste aanzet kunnen zien. Een poging om de biologische betekenis van het vertellen van verhalen te onderzoeken. Waarom schrijven mensen verhalen en vooral, waardoor zijn anderen bereid daar eindeloos naar te luisteren of ze te lezen? Luisteraars en lezers kunnen emotioneel meeleven met personages die vaak dramatische dingen meemaken, maar zonder de praktische gevolgen die deze gebeurtenissen in het echte leven voor hen zouden hebben. Nog geheel afgezien van het genot dat luisteren en lezen kan verschaffen door de stilistische vermogens van de schrijver, doet de luisteraar of lezer dus ervaring op met het gedrag van mensen en hun bijbehorende emoties. Dat in de literatuur, al anderhalve eeuw, de ontwikkelingen in de evolutiebiologie via de voor- en achterdeur naar binnensluipen, maakt de taak van de literair darwinisten er alleen maar ingewikkelder op.

“Mag ik van jou, van de biologen in de literatuur, Nick uit Who’s afraid of Virginia Woolf?” Nick, de hoogleraar in de biologie die in het toneelstuk met zijn vrouw te gast is bij het stel dat geen echt, maar wel een fictief kind heeft. Verzonnen voortplantingssucces, een literair darwinistisch onderwerp bij uitstek. Nick moet, eerder dan zijn vrouw die niets in de gaten heeft, zijn eigen kaart in het kwartetspel krijgen. Lang voordat de literair darwinisten begonnen met hun onderzoek, wist Edward Albee al dat het verstandig is een bioloog van dichtbij te laten meekijken. De literatuur is minder argeloos dan ze soms lijkt.