De Jager schiet met losse flodders op de top

De voorzitter van de grootste oppositiefractie in de Tweede Kamer stelt het vierde kabinet-Balkenende graag voor als een tweede kabinet-Den Uyl. Velen beschouwen het kabinet dat werd aangevoerd door PvdA-leider Den Uyl (1973-1977) als het meest linkse kabinet ooit. In weerwil van de ketelmuziek van de liberale oppositie zullen de meeste objectieve waarnemers beamen dat de beleidsdaden van het tien maanden geleden aangetreden kabinet absoluut niet stroken met het devies van Den Uyl en zijn companen: eerlijk delen van kennis, inkomen en macht.

In 1975 formuleerde het toenmalige kabinet in de Interimnota inkomensbeleid als norm dat veelverdieners netto ten hoogste vijfmaal zoveel mochten verdienen als het nettominimumloon. Om dit doel te bereiken zou anno 2008 al het bruto jaarinkomen boven 140.000 euro moeten worden wegbelast, via een toptarief van de inkomstenbelasting van 100 procent. Ruim dertig jaar geleden erkende de regering al dat het toptarief, destijds nog 71 procent, eigenlijk niet verder omhoog kon. Ook het meest linkse kabinet van na de oorlog was zich ervan bewust dat extreem hoge tarieven problemen veroorzaken. Wanneer de fiscus vanaf een bepaald niveau het hele bruto-inkomen afroomt, is dat funest voor de bereidheid van mensen uit de hoogste inkomensklasse om zich in te spannen en risico’s te lopen. Torenhoge tarieven kunnen ons land onaantrekkelijk maken als locatie om te werken en te investeren. Mede onder invloed van tariefverlagingen in andere landen is het hoogste tarief van onze inkomstenbelasting sindsdien in twee stappen juist verlaagd, tot 52 procent.

Niet alleen in Nederland, ook in andere industrielanden bestaat onvrede over de groeiende inkomenskloof in de bedrijven. Vroeger verdiende een directeur tien- tot hooguit twintigmaal zoveel als zijn geschoolde werknemers, tegenwoordig soms honderdmaal zoveel of nog meer. In de media krijgt die sterke groei van door topmanagers genoten salarissen, bonussen en aandelenopties veel aandacht. Terwijl gewone werknemers worden gemaand hun looneisen te matigen, gaan de topsalarissen jaar na jaar met sprongen omhoog. In brede kring leeft de opvatting dat de prestaties van veel bestuurders hun torenhoge beloning niet kunnen rechtvaardigen.

Oorspronkelijk wilde het huidige kabinet de haves aanpakken door de aftrek van pensioenpremie af te kappen bij een brutojaarsalaris van 185.000 euro en door bezitters van huizen met een waarde van 1 miljoen euro en meer zwaarder aan te slaan. Het eerste plan is gesneuveld. Het tweede voornemen wordt vanaf 2009 stapsgewijs gerealiseerd, tenminste wanneer de PvdA tot 2016 regeringsverantwoordelijkheid draagt, wat allesbehalve zeker is. Vooral door verzet van de christen-democraten zijn de nivellerende angels uit het Belastingplan voor komend jaar getrokken. Staatssecretaris De Jager (CDA) heeft nu alleen nog genieters van een excessief inkomen op de korrel, de gewone topinkomens blijven buiten schot. „We gaan niet nivelleren”, verzekerde de bewindsman in de Eerste Kamer, „we willen alleen iets tegen de maatschappelijke onvrede doen.” Het kabinet onderzoekt de mogelijkheden voor een extra heffing op buitensporige bonussen en op de remuneratie van beheerders van effectenfondsen.

Aan deze zoveelste poging om de fiscaliteit dienstbaar te maken aan het streven naar een betere wereld kleven verschillende bezwaren. De wetgeving wordt nog ingewikkelder. Denk aan de regels die nodig zijn om te bepalen wanneer een bonus excessief is en de afbakening van het begrip effectenfonds. Door met hun Raad van Commissarissen nog hogere bonusbedragen af te spreken kunnen ontvangers van megasalarissen de extra heffing afwentelen op de aandeelhouders. Zijn commissarissen niet bereid hieraan mee te werken, dan valt de bonustaks zonder al te grote moeite te ontwijken, of zij nu verschuldigd is door de bestuurder zelf of door de onderneming (werkgeversheffing).

Topfunctionarissen werken bijvoorbeeld een aantal jaren voor een lager salaris en incasseren het verschil later, nadat zij naar het buitenland zijn verhuisd. Verder krijgen grootverdieners een sterke prikkel om net over de grens te gaan wonen, waar het toptarief van de inkomstenbelasting tussen 47,5 (Duitsland) en 54 (België) procent ligt. Zij laten hun salaris dan voortaan via een buitenlandse vestiging van de onderneming uitbetalen om het Nederlandse bonustarief van zeg 72 procent (52 procent regulier toptarief plus 20 procent bonustaks) te omzeilen.

De bonustaks maakt verder inbreuk op een grondbeginsel van de inkomstenbelasting, te weten dat elke euro arbeidsinkomen bij iedereen volgens hetzelfde progressieve schijventarief wordt belast. Daarbij houdt de fiscus tot nu toe geen rekening met de mate waarin bepaalde inkomsten maatschappelijk worden gewaardeerd. Bij een bonustaks van 72 procent zouden inkomsten van criminelen tegen 100 procent moeten worden wegbelast, want die zijn maatschappelijk nog veel verwerpelijker dan een excessieve bonus.

Gezien deze bezwaren verdient het de voorkeur desgewenst het toptarief van de inkomstenbelasting te verhogen, voor iedere belastingplichtige met inkomen boven een bepaalde grens. Een toptarief van 55 of 60 procent voor inkomens boven een half miljoen euro lijkt internationaal houdbaar, zeker omdat buitenlanders die hier tijdelijk werken 30 procent van hun salaris belastingvrij mogen verdienen. Bij een toptarief van 60 procent bedraagt hun effectieve druk dus nooit meer dan 42 procent.