Allerlaatste resten

Tapoe was ooit eindstation van een Hollandse spoorlijn in China.

Foto’s uit ‘Het vermolmde Boeddhabeeld’ van Johan Schotman Schotman, Johan

Meneer Zhao, hoofd afdeling behoud van immaterieel erfgoed, vraagt vriendelijk: „Is er nog iets in onze stad dat je graag zou willen zien?’’ Ik had de ambtenaar verteld dat ik naar Lianyungang was gelokt door de boeken van Johan Schotman die in dit gebied, gedurende de jaren twintig, werkte als arts. Schotman was een tijd lang verantwoordelijk voor de gezondheid van het personeel van een Nederlands bedrijf dat een spoorlijn aanlegde. Een uitgebreid hoofdstuk wijdde hij aan de feestelijke eerste rit van de trein. Schotman wachtte op het station van het stadje Haichou, samen met een aantal Chinese spoorwegbeambten, een Franse Jezuïetenpater in zijn lange Chinese gewaad, een paar Hollandse ingenieurs, een Waalse chef-monteur en enkele Amerikaanse zendelingen.

Schotman schrijft: ‘En werkelik: er is een rookpluim te zien,die af en toe verijlt en vervaagt, maar dan al duideliker zich weer tegen de grijze lucht aftekent’. Een met Chinese, Hollandse, Franse en Belgische vlaggen versierde trein naderde. ‘Opeens een krijsend kraken: de rails liggen te dicht aan het perron en de brede lokomotief zit tegen de hardstenen perronband geklemd; stoomwolken verhullen alles een ongeblik, dan gaat de trein sissend achteruit. Midden in den damp zie ik ineens de gestalte van Verbonghers, heffend en zwaaiend een zwaren langgesteelden hamer, in den wolkenden stoom als een heroënfiguur een dondermoker zwingend, en met een harde klap splijt een grote steenscherf van den zerken rand af. Nu kan de machine er langs en rijdt de trein eindelik voor’. Het gezelschap stapte in en kon voor het eerst het landschap vanuit de trein aanschouwen.

‘Tot nu toe kenden we deze weelde niet: te reizen in een modernen restauratiewagen, en uit te zien op onze slingerende leemwegen, onze kale zoutvlakten, onze wolkomdreven bergen (–) Heel dat landschap (-) openbaart zich scherper en nadrukkeliker, maar ook doet het aan als een ontheiliging, het is of de spoorbaan ons klein rijk in tweeën heeft gebroken, alsof daarmee ook een innerlike harmonie verloren is gegaan, die we nooit meer terug zullen vinden’.

Niet veel later reed de trein de terminus Tapoe binnen, aan de rivier Ling, waarin altijd wel een paar jonken op vracht lagen te wachten. Schotman en de anderen werden op het perron verwelkomd door stationschef Tjerkoff, een forse, breedgeschouderde Rus met een lorgnet.

„Station Tapoe wil ik graag zien”, antwoordde ik meneer Zhao. Ik had verschillende mensen in de stad gevraagd naar het voormalige eindpunt van de Hollandse spoorlijn, maar alleen ontwijkende antwoorden gekregen. Meneer Zhao knikte. „Niemand weet waar dat station gebleven is, maar ik wel.’’ Hij keek op zijn horloge en voegde er mysterieus aan toe: „Ik hoop dat we niet te laat zijn!’’

Die avond genoot Schotman van het feestdiner dat gegeven werd. Hij zat aan een tafel waarover een speelgoedtreintje reed, en er was ‘de fonkeling van zilver, er is de goudgele schijn van breedomkapte petroleumlampen, het groen van planten, de kleur van bloemen en papieren versierselen. Rond den dis zitten de Westerlingen in hun blanke tropenkleren tussen de schittering en groengrijs van uniformen en het geel, parelgrijs en lichtblauw van Chinese gewaden. Bedienden in lange jassen bewegen zich onrustig en bedrijvig om de drukgebarende, ijverige pratende eters (–) champagneflessen knallen open, nieuwe toespraken en voordrachten. En dan wordt gedanst en gezongen tot laat in den nacht’.

„Hier afslaan”, instrueert meneer Zhao zijn chauffeur. We volgen een hoge schutting waar bouwkranen bovenuit steken. „Wij zijn van de gemeente”, maant meneer Zhao een bewaker tot het openen van een hek. Met een zorgelijk gezicht kijkt de chauffeur naar het modderveld waar hij moet parkeren. Meneer Zhao en ik stappen uit. Rondom ons kijken hoge, juist voltooide flats op ons neer. „Daar stond het station’’, wijst meneer Zhao naar een glazen constructie. „Ha! Het is nog niet afgevoerd’’, roept hij blij. Aan onze voeten liggen een paar meter rails waar een roestig treinonderstel op rust. Mannen maken kettingen vast aan de ijzeren wielen zodat een hijskraan het gevaarte kan optillen en wegbrengen; ergens heen rijden is niet mogelijk over het geamputeerde stukje spoor. „We zijn juist op tijd om de allerlaatste resten van station Tapoe te zien’’, stelt meneer Zhao opgewekt vast. Inmiddels stopt de trein elders. Ik kijk om mij heen. „Waar is de rivier Ling gebleven?’’ vraag ik streng. „Verdwenen’’, bekent meneer Zhao, „opgedroogd en volgestort.”

Die avond laat was Schotman alleen terug naar zijn huis gelopen. Vlakbij klonk een schot, een paar meter verder struikelde hij over een lijk. Dat was de voorbode van zeer onrustige tijden, want over het spoor reisden niet alleen brave passagiers. Krijgsheren voerden er hun legers over aan. Eigenlijk is alles wat daarna gebeurde het gevolg van de komst van de spoorlijn: de bloeiende haven die kwam, de nieuwe stad waar nu de bouwkoorts heerst. Johan Schotman was er bij en zag de geest uit de fles ontsnappen.