Adieu Martin Ros

Als Martin Ros sprak, was het alsof er in zijn strottehoofd een machine van Tinguely in werking werd gezet.

De laatste zaterdag van 2007 is tevens de eerste Martin-Rosloze zaterdag sinds jaren. Nooit meer Ros’ heftig zwiepend stemgeluid op zaterdagochtend, nooit meer de woest-vibrerende typeringen van de meest uiteenlopende boeken, nooit meer de adembenemende Rossiaanse symfonie die vol in crescendo gaat. Om de drie minuten vroeg Martin: „Weet je dat niet, Peter?” Te variëren met: „Weet je dat niet, Mieke?” Nee, presentatoren Mieke van der Weij en Peter de Bie wisten niet dat, bijvoorbeeld, de Haïtiaanse schrijver Ngungele Merere in 1973 een roman had gepubliceerd met als hoofdpersoon een zelf benoemde achterneef van Adolf Hitler – we noemen maar iets.

Altijd sprak Martin Ros zijn verbazing over de lacune in kennis bij beide presentatoren uit alsof zij de tafel van drie niet uit hun hoofd kenden.

Nu zijn vertrek een feit is, getuigen velen ervan jarenlang naar hem te hebben geluisterd. Zo kwam in de Volkskrant Kees Fens uit de kast als een Ros-luisteraar. In diezelfde krant schreef columnist Martin Bril over de door Ros gekleurde huiselijke zaterdagochtenden. Brils eindconclusie: „Een zonderling”, die Ros.

Mijn ervaring is dat wel meer mensen zo over Martin Ros denken. Dat zijn dan mensen die hem niet kennen of hebben gekend. Die mensen schijnen ook te zijn vergeten dat Martins radiopraatje zich jarenlang in de marge van zijn leven afspeelde. Zijn leven lang was hij redacteur bij uitgeverij de Arbeiderspers. Zo heb ik hem ook leren kennen, meer dan twintig jaar geleden. Ik was twintig, had een kort verhaal gepubliceerd in een literair tijdschrift en ontving via de uitgeverij van dat tijdschrift een briefje-zonder-afzender. De brief bleek afkomstig van Ros; de Arbeiderspers werd mijn uitgever.

Iedere auteur van de Arbeiderspers die Ros nog heeft meegemaakt als redacteur, weet dat hij doordeweeks soms in nóg hogere versnelling kon spreken dan op zaterdagochtend voor de radio. Als Martin tegen je sprak, was het alsof er in zijn strottehoofd een machine van Tinguely in werking werd gezet: het piepte, knorde, juichte, joelde, hijgde en fluisterde, en vaak ook nog eens allemaal gelijktijdig. Als je er de energie voor had, kon je bepaalde mededelingen uit het lawaai decoderen, en dan bleek het meer dan eens bijzonder zinnig wat hij zei.

Wat al snel eveneens duidelijk werd, was Martins lucide zelfbeschouwing. Hij wist heel goed dat anderen hem zonderling vonden, wat hem direct al stukken minder zonderling maakte. Op een keer kwam op de uitgeverij het gesprek op straatroof. Een andere Arbeiderspers-redacteur was op klaarlichte dag beroofd van geld en goed. Onmiddellijk kwamen de anekdoten los. Iedereen op kantoor had zo zijn verhalen – iedereen behalve Martin, terwijl juist hij statistisch de meeste kans maakte op beroving, want hij liep dagelijks van en naar het Centraal Station en koos daartoe, zoals hij het zelf omschreef, ‘lugubere stegen’. Maar ‘ze’ moesten hem natuurlijk nooit hebben. Zelf wist Martin wel waarom: „Ik sjok door die stegen met een rugzak en twee haveloze plastic tassen met boeken. Die rovers zien mij aankomen en denken ‘daar komt een eigenaardige middelbare man met in zijn tassen allemaal rinkelende lege Grolsch-flessen’. Dus die gaan ervan uit dat bij mij niets is te halen.” Met zo’n mededeling stapte Martin monter uit de karikatuur die hij voor zichzelf had ontworpen. Dat deed hij wel vaker zodra hij je vertrouwde.

Redacteuren en presentatoren bij de TROS Nieuwsshow kenden Martin even goed als menig Arbeiderspers-auteur. Ik ben in de loop van de jaren vaak te gast geweest bij de TROS Nieuwsshow, en het was een feest om mee te maken hoe de eindredacteur en presentatoren het klaarspeelden om Martin door middel van subtiele handgebaren of snelle hoofdknikjes tot bedaren te brengen. Martin reageerde altijd alert op die gebaartjes en kon behendig als een slangenmens-van-het-woord in en uit zijn karikatuur springen.

Maar de laatste keer dat ik er te gast was, leek het alsof die karikatuur over zijn identiteit heen was geschoven. Als Martin het woord kreeg, was het alsof hij al jubelend en joelend diep in zichzelf afdaalde. Handgebaren en hoofdknikjes kwamen niet meer door de geluidsmuur heen.

Er is met Martin Ros deze weken nogal wreed omgegaan – en dan doel ik niet op de mensen van de TROS Nieuwsshow, maar op cynische mediafiguren die er kennelijk behagen in schepten om Martin als een ontremde paljas af te schilderen. HP/ De Tijd spande met het artikel ‘Martin Ros slaat terug!’ de kroon. Als je over Martins zelfgeschapen karikatuur nóg een karikatuur schuift, krijg je als cabaret vermomde karaktermoord: HP/ De Tijd liet Martin als een aapje door zijn woonplaats Putten draven, daas schreeuwend en jengelend. Was me dat lachen, maar niet heus. Nu het oude renpaard tot verdriet van zijn collega’s bij de TROS Nieuwsshow toch echt niet meer in vorm is, zijn daar de journalisten van HP/ De Tijd die Martin Ros op het laatste moment in zijn carrière alsnog wisten te beroven, niet van zijn plastic tassen, maar van zijn waardigheid.