Zo kenden wij Jacob niet eerder

Laat men zich inpalmen door ‘Jacobs Kamer’? Of liever door latere meesterwerken van Virginia Woolf?

Myriaden indrukken, hoeveel zijn dat er? Tienduizenden, als er een telbaar aantal mee bedoeld wordt; meer gangbaar, ontelbare; en zo zal Virginia Woolf er over gedacht hebben toen zij in haar essay ‘Modern Fiction’ het aantal indrukken opgaf dat een ordinary mind opdoet op een ordinary day. Wat een roekeloze uitspraak was dat! Als wij op een gewone dag onze voordeur openen en aan een voorbijganger vragen hoe het loopt met zijn indrukken van de dag, zal die in het gunstigste geval zeggen: Toevallig dat u dat vraagt, ik had vanmorgen iets ongewoons....

Geen myriaden dus. Wel was het toch een mooi idee van Virginia Woolf om er de aandacht van onze ouders en voorouders op te vestigen dat er waarschijnlijk in hun dagelijkse waarneming meer omging dan zij gewoon waren op te merken.

Soms heeft iemand wel eens iets opgemerkt. Het herkennen en in verband met elkaar brengen van indrukken die wij opdoen is niet ieders werk. Zelfs Virginia Woolf, die er een meesteres in was, werkte er niet onafgebroken mee in haar gesprekken en herinneringen. Zij maakte er vooral een literair gebruik van en vertolkte inzichten en uitzichten die haar lezer soms levenslang bijblijven. Het lukte haar vooral met Mrs Dalloway en To The Lighthouse, waar de sterkste, onvergetelijkste karaktertrekken van haar schrijfwijze steeds weer terug te vinden zijn; misschien ook met Orlando en The Years – en ga zo door, het lukte altijd in zekere mate.

Lukte het ook met Jacobs Kamer, dat aan Mrs Dalloway voorafging? Enkelen hebben dat net weer eens gezegd in de vorige beoordelingen van de Leesclub. Is het zelfs zo, hoe moeilijk ook voor mij voorstelbaar, dat lezers zich door dit boek even volledig kunnen laten inpalmen als door de best bekende latere? Misschien al door het begin, waar de drie jongetjes Flanders spelen op het strand en moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn?

Zulke lezers komen voor, boven aan de trap van liefhebbers/ bewonderaars/ aanhangers van Woolf. Een paar treden lager staan figuren zoals ik in een afwachtende houding: dit eerste hoofdstuk is nog niet het ware, lees door dan wordt het natuurlijk beter. De personen krijgen meer model, en de beeldvorming wordt net zo vindingrijk als in de latere romans.

En gaat het zo dan ook? Niet precies. Het gaat af en toe zo. Als wij de schooljaren van Jacob achter de rug hebben verrast hij ons in het derde hoofdstuk als enige passagier die bij een mevrouw Norria komt zitten in haar coupé van de trein naar Cambridge; zij schrikt ervan, zo’n sterke jonge kerel, hij zal toch niet ... Hij doet niets; hij let niet eens op haar, en deze niet-gebeurtenis levert een mooie Woolfse passage op die nieuwe verwachtingen wekt.

Soms worden die vervuld, soms niet. Waarschijnlijk is deze roman de meest wisselvallige van het oeuvre. Wat vinden wij dan van een middagje spelevaren op de rivier de Cam? Aardig jongeherenleven. En van de voetstappen die weerklinken tegen de muren van het College wanneer Jacob ’s nachts naar zijn kamer terugkeert? Die hebben iets meer inhoud. Maar zij zijn nog niet de top.

Bereiken wij de top op Jacobs reizen door Frankrijk, Italië, Griekenland? Jawel, daar komt het. Reizen hoeft niet eens. Wanneer Jacob in de British Library Plato’s Phaedrus heeft zitten lezen ziet hij de stad buiten vijf minuten lang met astonishing clearness: de regen, de kamer van de overburen, de mensen in gesprek op de hoek.

Dat is een van de inzichten en uitzichten die hem levenslang bij zullen blijven, en waar de lezer in kan delen. In Griekenland zelf, als hij daar rondreist en besluit ieder jaar opnieuw te gaan – ‘als de enige mogelijkheid om je te beschermen tegen de beschaving’ (de lezer mag bedenken wat dat betekent) – beleeft hij onthullingen die Woolf soms begrijpelijk maakt, soms maar half. Bij het bekijken van het Parthenon is hij overtuigd dat in de hele wereld alleen schoonheid onsterfelijk is (ongeveer begrijpelijk); hij herinnert zich dat de nacht in Griekenland valt als een mes (niet goed herkenbaar).

Even later is het boek uit: de Eerste Wereldoorlog is begonnen, Jacob is gesneuveld, zijn kamer in Londen waar alles nog ligt zoals toen hij vertrok, wordt opgeruimd. ‘Wat moet hiermee?’ vraagt een hulp die een paar oude schoenen van Jacob omhoog houdt.

Is dat nu een Jacob die ons vertrouwd geworden is? Soms enigszins, soms meer, soms minder. Wat als een bijzondere verrassing kwam, was de scène met de mooie Laurette: lange benen in een kort rokje, en een kalme keurige toon van praten als zij zegt dat ze een poosje niet in Londen zal zijn. En bij het weggaan legt Jacob een stapeltje shillings op de schoorsteenmantel.

Zo hadden wij Jacob niet eerder gezien. Hij is een eigenaardige kerel, soms intelligent en soms eigenwijs en onhandig zonder dat zijn toon vertrouwd wordt.

Zou het een goed idee geweest zij om het boek nog eens te schrijven, en de ontelbare kanten van Jacob bij elkaar te brengen?

Zoals Jacobs Kamer nu geschreven is lijkt het een voorstudie van de grote romans van de volgende jaren.

Dit was de laatste bijdrage in de Leesclub over Virginia Woolf. Volgende week opent Arjen Fortuin de discussie over ‘Een man wordt ouder’ van Italo Svevo.