Voorsprong van meisjes is een jongensprobleem

Meisjes doen het al jaren beter dan jongens in het hoger onderwijs. Hoe dat kan? „De vernieuwingen in het onderwijs van de laatste twintig jaar hebben meisjes bevoordeeld.”

Zijn meisjes slimmer dan jongens? Het lijkt erop.

Al sinds 1995 halen meer meisjes dan jongens hun vwo-diploma in Nederland. Sinds 1993 is dat zo in het hbo, en al sinds 1999 is het een constante op de universiteit, zo blijkt uit cijfers van het CBS. Ook in het buitenland doen vrouwen het de laatste jaren beter dan mannen, zo bevestigde deze maand het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Hoe dat kan?

De belangrijkste verklaring is dat meisjes emanciperen. Vroeger ging een meisje, bij wijze van spreken, automatisch naar de huishoudschool, of ze ging trouwen. Sinds de jaren zeventig worden meisjes gestimuleerd om door te leren. Economische zelfstandigheid wordt belangrijker, ook omdat huwelijken vaker stranden. Dat vertaalt zich in het onderwijs.

Maar er is meer aan de hand, zo zegt neuropsycholoog Jelle Jolles van de universiteit van Maastricht. Er zijn aanwijzingen dat er verschillen zijn in de hersenontwikkeling van jongens en meisjes. Meisjes verwerken informatie op een andere manier dan jongens, zijn over het algemeen ijveriger en werken harder.

Jongens hebben vaker last van wat het boy problem is gaan heten. De ontwikkeling en rijping van jongens verloopt trager, hun puberteit zet later in, en nog in de adolescentie ontwikkelen zich hersendelen die verantwoordelijk zijn voor het controleren van impulsen, zegt Jolles. „Veel jongens zijn op de basisschool en in het voortgezet onderwijs nog behoorlijk actief, speelser, agressiever dan meisjes. Dat is natuurlijk niet bevorderlijk voor de leerprestatie.”

Een andere stelling: meisjes zijn slechter in exacte vakken dan jongens. En kiezen vaker voor talen.

Ja, meisjes kiezen vaker voor talen, zegt Annemarie van Langen van onderzoeksbureau ITS. Ze is gepromoveerd op de verschillen tussen jongens en meisjes waar het gaat om de keuze voor bètavakken en publiceerde vorig jaar een studie over sekseverschillen in het onderwijs. Maar het is waarschijnlijk niet zo dat meisjes te dom zijn voor exacte vakken.

Meer voor de hand ligt het, dat meisjes eerder voor talen kiezen, omdat de taalvaardigheid van meisjes zich op jongere leeftijd ontwikkelt dan die van jongens, zo zegt Jolles. „Het is een kwestie van ontwikkelingsfase.”

Jolles denkt dat meisjes en jongens uiteindelijk dezelfde prestaties kunnen halen in taal en exacte vakken. Maar heel vaak komt het daar niet meer van, omdat meisjes al een vakkenpakket met talen gekozen hebben tegen de tijd dat ze zich gaan interesseren voor exacte vakken.

Dit wordt nog versterkt, doordat het Nederlandse onderwijssysteem kinderen al vroeg dwingt een vakkenpakket te kiezen. In landen waar deze keuze wordt ‘uitgesteld’, zijn de verschillen in keuze voor alfa en bèta tussen jongens en meisjes veel minder zichtbaar, zegt Annemarie van Langen.

Wat ook meespeelt in het onderwijs: de verwachtingen die leraren hebben van meisjes en jongens. Meisjes krijgen bijvoorbeeld vaker van hun basisschool een hoger advies voor een vervolgopleiding dan jongens. Het is dus logisch dat ze ook vaker op een hoger schooltype en de universiteit terechtkomen.

En dan is er nog de feminisering van het onderwijs. Er zijn steeds meer vrouwen gaan lesgeven. Dit kan ten nadele zijn van jongens, omdat een mannelijke leraar de leerstof op een manier behandelt die beter aansluit bij hun interessen en wijze van informatieverwerking. Voor deze theorie is weinig bewijs, zegt Karin Bügel van toetsontwikkelaar Cito. Zij is gepromoveerd op het verschil in prestaties tussen jongens en meisjes bij de moderne vreemde talen. „Het blijkt dat meer mannen voor de klas nauwelijks effect heeft op de prestaties, maar het is wel een populair verhaal.”

Jolles denkt dat nog iets anders meespeelt. Hij stelt dat jongens minder goed presteren op school, omdat ze niet voldoende worden uitgedaagd en aangesproken op hun interesses en vaardigheden. Er zijn aanwijzingen dat het onderwijs de laatste jaren ‘taliger en verbaler’ is geworden.

Op de basisschool en in het voortgezet onderwijs wordt meer gepraat dan vroeger. Sinds de invoering van het Studiehuis (waarbij kinderen meer zelfstandig werken) en de nieuwe vakkenpakketten van de Tweede Fase moeten leerlingen op havo en vwo meer werkstukken maken, meer spreekbeurten houden en meer in groepjes samenwerken. Dit zijn vaardigheden die beter passen bij de langer ontwikkelde taalverwerkingsstrategie van meisjes. „De onderwijsvernieuwingen van de laatste twintig jaar hebben meisjes bevoordeeld”, vindt Jolles.

Het onderwijs moet daarom andere accenten gaan leggen, vindt hij. „Minder praten en meer handelen. Het is prima om sociale vaardigheden te trainen en te leren samenwerken en overleggen. Maar het mag niet het enige zijn. Stimuleer ook de niet-verbale talenten, leer kinderen ook complexe plannen te maken en uitvoeren, leer hen abstraheren en ‘denken’. Natuurlijk ook de meisjes.”

De verschillen in prestaties tussen jongens en meisjes zijn momenteel slechts klein, zegt Annemarie van Langen van ITS. Veel belangrijkere verklarende variabelen voor prestatieverschillen zijn de etniciteit van leerlingen, het opleidingsniveau van de ouders en hun sociaal-economische positie.

Maar dat betekent niet dat de verschillen tussen jongens en meisjes genegeerd moeten worden in het onderwijs, vindt Van Langen. „Sekse is namelijk wel een heel belangrijke voorspeller waar het gaat om studiekeuze.”

De ondervraagde experts pleiten daarom voor meer onderzoek naar het onderwerp. En dat komt er ook, zegt Jolles. „Jarenlang mocht er over de verschillen in brein en het cognitief functioneren tussen jongens en meisjes niets geschreven worden. Het was een taboe. Nu is er ineens heel veel belangstelling voor. Dit onderzoek wordt de komende jaren booming business.”