‘Vaste definities zijn verkeerd!’

Filosoof Jacques Rancière zet graag vraagtekens bij vaststaande definities en concepten. „Woorden zijn er niet om te definiëren, maar om te discussiëren.”

‘Ik wil geen problemen oplossen, ik wil ze juist creëren!’ De Franse filosoof Jacques Rancière (Algiers, 1940), gehuld in stemmig bruin, compleet met baskische alpinopet en zijden sjaaltje, beantwoordt nou niet bepaald aan het clichébeeld van de bedachtzame academicus. Integendeel, hij stuitert van enthousiasme en gooit tijdens het gesprek regelmatig alle remmen los, bijvoorbeeld als het gaat om zijn neiging om dwars door de gevestigde domeinen van geschiedenis, filosofie, filmwetenschappen of letterkunde heen te snijden. „Disciplines zijn niet-natuurlijke indelingen,” roept Rancière, druk gesticulerend met zijn handen, zodat hij opeens op Louis de Funès lijkt. „Ze bevestigen alleen maar de bestaande pikorde. Ik stel daar vragen bij.” Maar wat is eigenlijk de reden van zijn hekel aan hokjesdenken? „Ik interesseer me voor de aan gevestigde verhoudingen verbonden machtskwesties,” zegt Rancière. „Wie bepaalt wie mag denken? Wie bepaalt eigenlijk wie deel mag uitmaken van de samenleving en, nog belangrijker, wie wordt er buitengesloten?”

Zo herformuleert Rancière wat je de kern van zijn denken zou kunnen noemen. Telkens stelt hij de categorieën die ons leven en denken ongemerkt bepalen ter discussie. In zijn vroege werk stelde hij vragen over de democratie en politiek, in zijn recentere werk staan kunst en esthetica centraal. Rancière: „Met ingewikkelde conceptuele bouwwerken heb ik weinig op. Hetzelfde geldt voor de volgens mij overdreven aandacht die er tegenwoordig is voor canons en het zogenaamde belang dat er aan canonvorming in het onderwijs wordt gehecht. Die tendensen onderstrepen alleen maar een hang naar orde en legitimiteit. Ik zie het als mijn rol vragen te stellen naar de oorsprong van die legitimiteit.”

Metrolijn

Het gesprek vindt plaats in Amsterdam, in een verstild Maison Descartes. Op een paar medewerkers na is de staf met verlof. Het enige geluid dat doordringt komt van de bouw van de Noord-Zuidmetrolijn die vlak langs het gebouw zal komen. Rancière is in Amsterdam op uitnodiging van uitgeverij Valiz die twee van zijn teksten heeft vertaald en uitgegeven. Een primeur in Nederland. Partage du sensible en L’inconscient esthétique zijn als Het delen van het zintuiglijk waarneembare en Het esthetische onbewuste gebundeld onder de titel Het esthetische denken. Tegelijkertijd verschijnt een tweede boek, Grensganger tussen disciplines. Over Jacques Rancière. Dit bevat aanvullende analyses en informatie over de filosoof en zijn werk.

Rancière onttrekt zich graag aan barrières tussen disciplines en concepten. Een van de verwijten die critici hem voor de voeten werpen is dan ook dat hij weinig precies is in zijn denken. Is Rancières filosofische bouwwerk een Winkel van Sinkel?

Rancière reageert blijmoedig: „Kijk, alle intellectuele uiteenzettingen draaien om concepten. Ik vind het belangrijk dat we die niet als vanzelfsprekend beschouwen. Natuurlijk is het handig als we vooraf kunnen zeggen dat cultuur, politiek of kunst op die en die manier zijn te definiëren. Maar ja, dan is er ook geen probleem meer. Ik vind het spannender om concepten op hun kop te zetten. Vasthouden aan definities is een verkeerde manier van logisch redeneren. Woorden zijn er niet om definities samen te stellen, woorden zijn er volgens mij juist om te discussiëren. Natuurlijk, uiteindelijk, na een lang proces van denken en debat, kunnen we de dingen opnieuw formuleren. Maar dat mag nooit het uitgangspunt zijn”.

Bij het begin van het interview zegt Rancière dat hij na twee dagen debatten en bijeenkomsten behoorlijk afgemat is. Maar daarvan is in de loop van het gesprek eigenlijk niet veel te merken. „Niet erg snel”, zo karakteriseert hij de recent opwellende Nederlandse belangstelling voor zijn werk. „In Duitsland en de Verenigde Staten zijn mijn opvattingen al langer bekend”.

De groeiende interesse voor zijn ideeën is wel verklaard door te wijzen op het wegvallen van Jacques Derrida en Pierre Bourdieu. Rancière past als het ware in het gat dat met de dood van deze intellectuele grootmeesters is ontstaan. Ongetwijfeld helpt het dat zijn denken over ethiek en representatie tegenwoordig bijna automatisch wordt gekoppeld aan kwesties als gelijkheid en emancipatie, die volop rondzoemen in de samenleving.

Rancière: „Gelijkheid en ontplooiing hebben een centrale plaats in mijn oeuvre. In La nuit des prolétaires [1981] keer ik me tegen de klassiek-marxistische zienswijze dat arbeiders een klasse vormden en een historische missie te vervullen hadden. Ik interesseerde me juist voor hun intellectuele en artistieke emancipatie. Het ging mij om processen van in- en uitsluiting. Eenvoudig gezegd: arbeiders werden maatschappelijk geaccepteerd als werkmieren, maar politiek en intellectueel stonden ze buiten de samenleving. Ik wilde juist aantonen dat ze heel goed in staat waren deel te nemen aan die maatschappij.”

Verworpenen

Vindt Rancière dat je deze inzichten kunt extrapoleren naar de huidige tijd? Kunnen we de hedendaagse immigranten beschouwen als de nieuwe ‘verworpenen der aarde’, zoals de arbeiders van de 19de eeuw werden genoemd? De filosoof aarzelt. „Ja en nee. De historische omstandigheden zijn natuurlijk veranderd. Maar anderzijds vind ik dat het mechanisme van in- en uitsluiting gelijk is gebleven. Daarnaast hangt het ervan af hoe sociale groeperingen het woord nemen en zichzelf als maatschappelijke gesprekspartner laten horen.”

Rancière trekt zichzelf op gang, versnelt zijn spreken. Hij staat uitvoerig stil bij de houding van de overheid tegenover hedendaagse verdrukten; immigranten, daklozen, werklozen in de buitenwijken. Neem de hongerstakingen door Franse sans-papiers, illegalen, die met dit pressiemiddel hun leefomstandigheden hopen te verbeteren: „Door hun toevlucht te nemen tot zo’n daad van symbolisch geweld weigeren ze het spel te spelen dat de autoriteiten hen willen opleggen. Ze gaan in hongerstaking in plaats van eindeloos te wachten op toezeggingen, papieren en stempels.” Hetzelfde geldt voor immigranten: „Alternatieve netwerken en illegale activiteiten stimuleren dat deze groepen een legitieme plaats verwerven in de samenleving. Dit noem ik het proces van transgression, overtreding.”

Rancière vindt zulke netwerken en overtredingen een goede zaak. Want, en daar is het de filosoof uiteindelijk om te doen, iedereen is in zijn ogen gelijk: „Gelijkheid moet het uitgangspunt zijn in de samenleving. Maar de zogeheten democratische samenleving waarin wij leven kenmerkt zich van oudsher door ongelijkheid. Economische oligarchieën en technocraten bepalen tot op de dag van vandaag hoe de samenleving functioneert. En dus kunnen soms alleen illegale acties leiden tot legaliteit en gelijkheid.”

Beschouwt deze radicale gelijkheidsdenker, leerling van de legendarische marxistische mandarijn Louis Althusser, zichzelf als een optimist? Rancière glimlacht: ,,Ik stel me nooit de vraag of ik optimist of pessimist ben. Maar het huidige pessimisme over de maatschappelijke ontwikkelingen, of het nu gaat om immigratieproblematiek of om mondialisering, deel ik niet. Dat beschouw ik als zelfbeklag van een intellectuele kaste die op zijn retour is. Bovendien hou ik niet van apocalyptische vertogen. Waarom niet? Omdat zulke gedachten alleen maar de bestaande orde bevestigen! Zo verandert er natuurlijk nooit iets.”

Jacques Rancière: Het esthetische denken Valiz, 195 blz. € 12,50 Solange de Boer (samenstelling): Grensganger tussen disciplines. Over Jacques Rancière. Valiz, € 12,50