Tot het elastiek knapt

Bij een echt happy end is van meet af aan duidelijk dat het geluk voor de hoofdpersonen is weggelegd. Maar hoe lang duurt dat geluk?

En ze leefden nog lang en gelukkig – de klassieke slotzin van elk sprookje, maar in feite de markering van het begin ervan. Wat eraan voorafging is immers aan de orde van de dag. Vuurspuwende draken, boze heksen, lompe reuzen, gemene dwergen: ik weet niet beter of je struikelt erover op straat, in de tram, op de trap. Maar dat lange en gelukkige leven – komt dat er nog wel van? De prins verzeilt al kort na het huwelijk in een depressie en droomt ervan weer een kikker te zijn, de prinses lijdt aan slapeloosheid en kan geen spiegel voorbij lopen zonder in tranen uit te barsten, en de kinderen hangen maar wat rond aan de verkeerde kant van het spoor. Om nog maar te zwijgen van de beslommeringen van hun onderdanen.

Het is, zoals elk happy end, een bezwering, dat van dat ‘nog lang en gelukkig’, een verzegeling van de toekomst. Quit while you’re ahead, om met de gokkers te spreken, don’t push your luck – een advies dat we bij voorkeur in de wind slaan omdat we per se willen weten hoe het verder gaat en tot hoever precies het elastiek van het geluk zich laat oprekken tot het knapt en in ons gezicht terugslaat.

Filosofisch gesproken geloof ik niet zo in eindes. Ook niet in beginnen trouwens. Alles heeft een voorgeschiedenis en een vervolg, als het al niet een oneindige herhaling van zetten is. Om zich overeind te houden in het niets, moet de hele schepping voortdurend in beweging blijven. Een subliem staaltje van acrobatiek is het. En als ik één ding geleerd heb, dan is het wel dat het leven bezeten is van de wil tot voortzetting, tegen elke prijs en in wat voor vorm dan ook. Dan maar wat minder, wat kleiner, wat anoniemer, zonder aanzien des persoons. Alleen de dood laat zich niet voor dat karretje spannen: die vertoont zich in ieders bestaan slechts eenmaal, ergens aan het eind, en weg is hij weer, helemaal weg, een einde zonder einde. En dan nog schijnen er allerlei smokkelroutes te bestaan waarlangs het bewustzijn zich van deze naar gene zijde kan begeven. Men schijnt zich daar zelfs al danig op onze komst te verheugen. Nóg niet afgelopen dus, het lijkt wel een soap, Goede Tijden Slechte Tijden, As The World Turns. And Turns. And Turns. Net zo lang tot het eeuwig doorgaan en een happy end in onze beleving één en hetzelfde zijn geworden. Daarin schuilt de belofte van elke ‘never ending story’.

Maar ook bij kortere verhalen is een happy end juist zo happy omdat het niet echt het einde is, maar een nieuw begin. Het was even moeilijk, het zag er lange tijd naar uit dat de twee geliefden elkaar door alle tegenslagen en misverstanden en ondanks al hun inspanningen toch nog niet zouden krijgen, maar nu dat op het laatste nippertje goed is gekomen, breken er betere tijden aan. Nieuwe kansen, nieuwe prijzen. Voor hen en ook voor ons, als beloning, omdat we zo met hen hebben meegeleefd.

Om van een happy end te kunnen spreken mag de narigheid waar de hoofdpersonen zich doorheen hebben moeten worstelen overigens niet zo ingrijpend zijn dat ze nog lang haar sporen nalaat. En dan heb ik het niet over achtarmige monsters, banvloeken, grote boze wolven, helse machines of mannen-met-speldenhoofden, maar over afgrondelijke verloochening, innerlijke verscheurdheid, de grote afwijzing – het spul waar zelfs de liefde geen chocola meer van kan maken.

De storm die echt botten breekt moet braaf blijven liggen – wachtend op een echt serieuze kunstuiting waarin het verhaal in het gunstigste geval een goede afloop heeft of een open einde. Men komt er sadder en wiser uit, gelouterd misschien zelfs, maar nog lang niet gelukkig.

Voor een echt happy happy end moet het eigenlijk al vanaf het allereerste begin duidelijk zijn dat het geluk voor de hoofdpersonen is weggelegd – per abuis op de verkeerde plek bezorgd of aanvankelijk niet opgemerkt, maar wel degelijk met hun naam erop. Zoals dat op filmgebied – bij uitstek het terrein van de gelukkige afloop – bijna per definitie het geval is bij romantische komedies: van It Happened One Night via When Harry Met Sally tot aan Love Actually, en van The Philadelphia Story via Groundhog Day en As Good As It Gets tot aan Sleepless In Seattle. Films waar ik geen genoeg van kan krijgen, niet ondanks het feit dat ik weet hoe ze aflopen, maar juist omdat ik dat weet: de behoefte aan geluk is even schaamte- als bodemloos. Gedeeld, geleend, op afbetaling, prefab of bij volmacht, maakt niet uit: als het om geluk gaat, ben ik verkocht.

Oké, de kater is onvermijdelijk. De ‘rush’ die een happy end verschaft is ook zo weer uitgewerkt, en de volgende ochtend al zijn de vrouwen weer slachtoffers en de mannen verliezers en vice versa, en kan de advocaat worden gebeld of de therapeut. Want, zoals Ramses Shaffy zong: ‘De ene wil een ander, maar die ander wil die ene niet. De ander wil een ander, maar die ene heeft verdriet. Zo ging en zo gaat het en zo gaat het altijd aan. Hai la lala lala la!’ Bij een liefdesgeschiedenis is er maar één manier om echt zeker te kunnen zijn van een happy end, en dat is het verhaal achterstevoren te vertellen, zoals François Ozon dat heeft gedaan in zijn film 5x2.

Daarin laat hij in vijf lange fragmenten, die steeds een stap verder teruggaan in de tijd, cruciale momenten zien uit de relatie tussen Marion en Gilles. Aan het begin zien we hoe hun huwelijk bij een notaris wordt ontbonden, aan het eind ontmoeten de twee elkaar op een idyllisch strand bij een ondergaande zon. Daartussenin baant het leven zich een weg. Gilles drukt zich bij de geboorte van hun kind, Marion pleegt al tijdens de huwelijksnacht overspel, en Gilles neemt tijdens een etentje met vrienden wraak met een verzonnen verhaal over zijn eigen ontrouw. Maar het eind is een en al rozengeur en zachte muziek over het water, het ware geluk: niet omdat ze nog in onwetendheid verkeren – dat is het punt niet – maar omdat je als kijker het gevoel krijgt dat zij niet minder verliefd op elkaar zouden zijn als zij op dat moment wel de afloop zouden kennen zoals wij die aan het begin hebben gezien.

Het enige einde dat ik als bron van troost nog hoger waardeer dan een happy-end-punt-uit is er één waarbij de camera na de grote ontknoping nog even door blijft draaien, terwijl hij al wel langzaam maar zeker afstand neemt van de personages, zoals die op hun beurt weer overspoeld worden door het leven van alledag.

Als je goed kijkt is er dan zelfs sprake van een subtiele verandering in de beeldkwaliteit: de blik verkilt, wordt onverschillig, waardoor wat er nu te zien is opeens niet langer geregisseerd lijkt, althans niet door iemand hier beneden. De mensen op het doek – die vrouw op die fiets, de man met die zware tas – zijn overlopers uit de werkelijkheid, geen acteurs of betaalde figuranten meer. Je zou je ongemerkt onder hen kunnen begeven en samen met hen uit beeld verdwijnen, een ander leven in. En omdat wat ze nu nog zeggen en doen op het doek niet meer voor jouw ogen en oren is bestemd, ervaar je tegelijk ook hoe het straks zal zijn wanneer het leven doorgaat zonder jou.

Het is een beetje alsof je aanwezig bent bij je eigen begrafenis. Je ziet de wereld van bovenaf, kleiner en kleiner wordt alles, en dan verdwijnt de lange zwarte trein de tunnel in, met aan het einde ervan het stralende licht, het grote happy end in the sky.