Privatiseren Pemex geen taboe meer

De olieproductie in Mexico loopt zo hard terug dat de Mexicaanse regering het nu aandurft buitenlandse deelname in Pemex, de staatsoliemaatschappij, bespreekbaar te maken.

Bijna zeventig jaar nadat Mexico alle buitenlandse bedrijven uit zijn olie-industrie heeft geschopt, zet het de deur nu weer op een kier. De energiecommissie van de Mexicaanse senaat, zo werd eerder deze maand bekend, gaat een wetsvoorstel behandelen waarmee mogelijk zou worden dat raffinaderijen, pijpleidingen en distributie weer in buitenlandse handen komen. President Felipe Calderón neemt er een groot politiek risico mee, maar hij moet wel, zegt hij.

Wat betreft olie wordt Mexico tegenwoordig namelijk van alle kanten ingehaald. Het land is met 3,5 miljoen vaten olie per dag weliswaar nog steeds de belangrijkste producent van Latijns-Amerika en de zesde ter wereld. Maar die status zou het wel eens snel kunnen verliezen. Mexico heeft nog bewezen reserves voor negen jaar, terwijl Venezuela nog zeker een eeuw kan blijven pompen en Brazilië net een gigantische olievondst heeft gedaan van 8 miljard vaten.

In een televisietoespraak kwam Calderón begin september dan ook al met een verontrustende boodschap: Mexico zal in grote financiële problemen komen als niet snel wordt ingegrepen.

Calderón roerde met zijn rede een hypergevoelig thema aan. De nationalisering van de olie-industrie, in 1938, wordt nog jaarlijks gevierd met een nationale feestdag. Schoolkinderen leren hoe de bourgeoisie destijds in de rij stond om haar juwelen in te leveren, opdat de buitenlandse oliemaatschappijen uitgekocht konden worden. Zo trots waren de Mexicanen dat ze hun olie op de Britten en Amerikanen (terug)veroverd hadden, dat ze die aanvankelijk niet wilden exporteren.

Maar sinds 1938 is veel veranderd. In de jaren tachtig van de vorige eeuw maakte olie nog 80 procent van de export uit; nu is dat (gecorrigeerd voor de hoge olieprijzen) nog geen 10 procent. Desondanks blijft olie voor de staat de belangrijke inkomstenbron: 40 procent van het overheidsbudget komt van de belasting die staatsbedrijf Petróleos Mexicanos (Pemex) betaalt.

Maar de productie loopt de laatste jaren gestaag terug, en ondanks de hoge olieprijzen is Pemex steeds dieper in de rode cijfers gekomen. Er is enorm veel achterstallig onderhoud en van het ontdekken van nieuwe velden komt weinig terecht. En door de beperkte raffinagecapaciteit moet Mexico tegenwoordig benzine en gas importeren.

Om budgettaire problemen te ondervangen wil Calderón onder meer een belastinghervorming invoeren, om de staat minder afhankelijk te maken van de olie-pesos. De linkse oppositie verwijt hem echter dat zijn alarmerende boodschap slechts een truc is om de geesten klaar te maken voor privatisering van Pemex, waarmee de olie na zeventig jaar weer deels in buitenlandse handen zou kunnen komen.

Deze week berichtte de linkse krant La Jornada over geheime contracten die Shell al zou hebben gesloten met Pemex om na een wetswijziging meteen in Mexico aan de slag te kunnen. Het is koren op de molen van Calderóns belangrijkste politiek rivaal, de verliezende linkse presidentskandidaat López Abrador. Hij heeft al massabetogingen aangekondigd voor 2008. Zijn slogan: „Het vaderland verkoop je niet, dat verdedig je.”

Toch leert een kleine, geheel niet representatieve steekproef dat veel Mexicanen ook niet tevreden zijn met de huidige situatie. Bij een Pemex-pompstation aan de Avenida la Reforma – de verkeersader van Mexico-Stad – heeft postmedewerker Ricardo Guerrero net zijn aftandse blauwe Volkswagen-busje volgetankt. „Pemex heeft een monopolie, daarom leveren ze slechte service en zijn ze corrupt. Ze hebben alle olieputten leeggehaald en niet aan de toekomst gedacht. We missen nu de nieuwste technologie en moeten benzine importeren. Natuurlijk willen we soevereiniteit over de olie behouden, maar zo doorgaan heeft geen zin.”

„We moeten ons aanpassen aan de moderne tijd, en dat lukt niet alleen. We moeten partners zoeken, maar alleen als het ook goed voor het volk uitpakt”, zegt drukker José Luis González, vanuit zijn rode Peugeot. Moíses Rescendiz, die in de enorme platinakleurige Suburban Chevrolet van zijn baas (een rechtse senator) rijdt, is nog stelliger: „We hebben buitenlandse investeringen nodig, anders gaat het land bankroet.”

Pemex wordt inderdaad extreem corrupt en inefficiënt bestuurd. Constant zijn er schandalen en incidenten rond het bedrijf. Zoals in 2005, toen bleek dat benzinepompen zo waren afgesteld dat ze net iets minder gaven dan de meter beloofde. Of zoals in oktober toen bij een botsing tussen een mobiel boorstation en een platform in de Golf van Mexico 22 doden vielen. En zoals vorige maand toen media meldden dat justitie tegen de oud-topman een onderzoek is begonnen wegens corruptie.

„Pemex is een staat binnen de staat”, legt José Antonio Cerro uit in zijn werkkamer aan de Ibero- Amerikaanse Universiteit van Mexico-Stad. „Elke verandering die je zou willen doorvoeren stuit op Pemex’ macht en op het volkssentiment rond olie. Maar het probleem is in werkelijkheid veel fundamenteler, namelijk dat Mexico een integrale energiepolitiek ontbeert. En de tijd dringt.”

Want de markt waarbinnen het bedrijf opereert, verandert op dit moment razendsnel, zegt Cerro.

„De VS zeggen dat ze minder afhankelijk willen worden van olie uit het Midden-Oosten en Venezuela.” Als de VS die belofte waarmaken, denkt Cerro, zou Mexico daar enorm aan kunnen verdienen, bijvoorbeeld door de weg van Brazilië te volgen. „Daar zijn ze op grote schaal biobrandstoffen gaan produceren, maar ze hebben ook kernenergie, stuwdammen en doen grote olievondsten.”

Als het om biobrandstoffen gaat heeft Mexico wel een achterstand goed te maken, zegt Cerro. „De productiviteit per hectare landbouwgrond ligt hier traditioneel laag. Bovendien hebben we niet als Brazilië de mogelijkheid om eindeloos nieuwe landbouwgrond aan te leggen.” Mexico zou dan eerst moeten bepalen of zijn voedselzekerheid niet in gevaar zou komen, zegt hij. „Maar terwijl bijvoorbeeld Colombia en Guatemala onderzoeken of ze ethanol willen produceren, hebben wij nu alleen maar ideologische discussies.”