Peter Pok en Harry Hondsdol

Een wekelijkse zoektocht naar de grenzen van de goede smaak

Road Kill Teddy: Twitch

Het is een fascinerend gebied, de grens waar kunst, kinderspel, wetenschap en slechte smaak elkaar ontmoeten. Creatief en onthutsend. Zo mogen we een hele range aan nieuwe knuffelmogelijkheden wel noemen. Hoe voeden we onze kinderen op? We maken ze geschikt voor de maatschappij die ze te wachten staat. Shockproof liefst, ze moeten tegen een stootje kunnen. In onze toekomst is geen plaats meer voor mannen en vrouwen, die opgroeiden met Winnie the Pooh, Barend Beer, of Meneer de Uil in vilt of wol.

Stel uw peuter wordt straks in het overvolle Nederland als puber of volwassene geconfronteerd met een in het verkeer gesneuvelde wasbeer, de exoot die het tegenwoordig zo goed doet in ons land. Eerst naar links, dan naar rechts, dan wéér naar links, maar toch niet goed uitgekeken – vrachtauto, splash! Dan wil je toch niet dat je stamhouder langs de weg gaat zitten snikken als een watje?

Ervaring staalt. Laat ze het als koter voor de kiezen krijgen, dan kunnen ze straks tegen een stootje.

Op de grens die ik noemde wordt gewerkt aan een knuffelgebeuren dat eelt op kinderzieltjes kan kweken. Ik wijs op het recente verschijnsel der Road Kill Teddies. Een innovatie van vormgevers te Londen, die zich verenigden in het bedrijf Compost Communications Inc. Hun eerste knuffel heet Twitch de Wasbeer. Dit onfortuinlijke pluchedier kost 25 pond, maar dan heb je ook wat. Op de rug zien we een print van de vrachtautoband, het kleurig darmenwerk wordt er los bij geleverd maar kan door twee ritsjes aan weerszijden in de buikholte worden teruggepropt. En dan is er nog een gadget, in de vorm van een bodybag. ‘Om de maden buiten te houden’, aldus Adam Arber (33), de geestelijk vader van Twitch. Het wasbeertjeslijk is het eerste van een reeks. In de pijplijn zitten drie lotgenoten: konijntje Grind, egeltje Splodge en wezeltje Pop, dat bij voldoende druk haar oogjes eruit wipt.

Waar kunnen we ons kroost nog meer op voorbereiden? De eveneens Britse site www.badtastebears.com biedt een enorm assortiment leermateriaal bij knuffeleducatie. Een teddy die haar tieten toont, een latex beertje dat een dildo pijpt, een whoofer-teddy waarvan na een flinke boost het schedeldak ontplofte (met de instructieve T-shirttekst ‘Play it loud!’). Et cetera.

Al deze pedagogie is alleen gericht op de zichtbare wereld, terwijl in de voorspelbare toekomst zoveel onzichtbare vijanden loeren. Maar ook daar is aan gedacht. Al in 2005 was in de New Yorkse kunsttempel MoMA de expositie Safe, een poging kunstenaars in te schakelen bij de voorlichting over de gevaren in de wereld van straks. Opmerkelijk was de bijdrage van de mij onbekende artiest Andrew Oliver II (1970). Driehonderd knuffelmicroben. Het origineel, één miljoen maal vergroot, uitgevoerd in pluche. Een recensent van The Independent was verbijsterd door de expositie: „Je staat versteld bij deze menselijke inventiviteit, terwijl de ziel beeft bij het aantal verschrikkingen die de toekomst voor ons in petto heeft.” Andrew Oliver II mag zich dan niet strikt tot de microben hebben beperkt, een fraaie staalkaart was het. Schattig voorgesteld bacteriëel of virusleven, leidend tot griep, keelpijn, stinkende adem, de sief of druipers. Vliegend personeel als vlieg en mug, natuurlijk, de onschuldiger broeders waren ook van de partij. Stofmijt, bedwants, boekenwurm, de tegenwoordig zo zeldzame schaamluis, de vlo, de made. Alles in pluche, klaar voor plaatsing op een kinderkamerkussen. Maar je wilt niet flauw doen, ook Andrew Oliver II niet. Zo was er Eddie Ebola, Peter Pok, Lientje Legionella, Harry Hondsdol, Teddy Teek – de ziekte van Lyme zit in de lift.

Wat bleek? Er is een markt voor de artistieke producten van Andrew Oliver II. En zijn kunst bleek naadloos aan te sluiten bij de doelstellingen van de Amerikaanse firma GIANTmicrobes. Daar zijn ze nu te koop. Zacht. Lief. Schattig. En educatief. Voor slechts zes dollar per stuk.

Je vraagt je kind: „Wil jij de pest krijgen met je verjaardag?”

„Nee pap, die heb ik toch al? Geef mij de tyfus maar.”